Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > De Kerkvaders

De Kerkvaders

De Kerkvaders herinneren ons eraan dat het zoeken van heiligheid eigen was aan de eerste christenen. Hier geven we een selectie van twintig teksten die daarnaar verwijzen.

1. Vanaf het begin van het Christendom is men zich bewust van de goddelijke roeping en uitverkiezing om heilig te worden. In de jaren negentig van de eerste eeuw schrijft ons de heilige Clemens van Rome:

De Apostelen

Naderen we tot God in heiligheid van ziel, met de handen zuiver en rein geheven tot Hem, met liefde voor degene die onze goedertieren en barmhartige Vader is, die ons heeft uitgekozen als Zijn erfdeel. (Clemens Romanus, Brief aan de Korinthiërs, 30-34)

2. Zorgen we er voor de goddelijke zegening waardig te zijn en bezien we welke wegen ons daar heen voeren. (Idem, 31-33)

Deze twee teksten van Ignatius van Antiochië, geschreven op weg naar zijn marteling, tonen de uitgangspositie om zijn leven te geven…

3. Als we niet uit eigen verkiezing door Hem willen sterven met het oog op Zijn Lijden, dan is Zijn leven niet in ons (Ignatius van Antiochië, Brief aan de Magnesiërs, 5, 2 [Franses, blz. 110]).

4. Een christen is niet heer over zichzelf, maar leeft in overgave in dienst van God (Ignatius van Antiochië, Brief aan bisschop Polycarpus, 1-6)

5. (De christen volgt het pad van zijn Meester: het kruis en het offer beminnen waar het waarachtige geluk is te vinden. Hij weet bovendien altijd kwaad met het goede te beantwoorden…)

Zij beminnen allen en worden door allen vervolgd. Niemand kent ze, maar iedereen veroordeelt ze. Ze worden gedood, maar blijven in leven. Ze bezitten niets, maar hebben alles in overvloed. Ze worden geminacht, maar in de minachting vinden ze de glorie van God. Hun eer wordt door het slijk gehaald, maar men getuigt van hun rechtvaardigheid. Ze worden vervloekt maar zij zegenen. Ze worden mishandeld, maar behandelen ieder met liefde. Zij doen het goede, maar worden bestraft als booswichten. Hoewel ze worden gestraft, blijven ze er rustig onder, alsof ze in plaats van de dood het leven ontvingen. Ze worden door de Joden vervolgd als een vreemd ras. De heidenen vervolgen ze, en toch kennen zij die ze verafschuwen niet de reden van hun vijandigheid. (Brief aan Diognetus, 5-7)

6. Ze nemen de geboden van God in acht door heilig en rechtvaardig te leven, zoals God het hun heeft bevolen; ze danken Hem elke morgen en elke middag voor alle voedsel en drank en al het andere goede... (Aristides van Athene, Apologia, 5)

Detail van de Ara pacis (Rome)

7. (Aristides van Athene wijst keizer Hadrianus er op dat de christenen de waarheid hebben gevonden…)
Dat zijn, o keizer, hun wetten. Wat zij van van God willen ontvangen, vragen zij, en zo trekken zij door deze wereld tot het einde van de tijden want God heeft alles aan hen onderworpen. Zij zijn Hem dus dankbaar, want voor hen is het hele universum en de gehele schepping gemaakt. Welzeker, deze mensen hebben de waarheid gevonden. (Aristides van Athene, Apologie, 6)

8. (Het zoeken naar heiligheid vergt voortdurende en ononderbroken strijd en vertrouwen op de genade van God. De christen groeit door de moeilijkheden en wint aan deugd…)

Dit is het verschil tussen ons en degenen die God niet kennen: terwijl zij bij tegenslagen klagen en roddelen, verwijderen de tegenslagen ons niet van de deugd, maar laten ons er juist in groeien. (Cyprianus van Carthago, Over de dood, 13)

9. (De heiligheid bestaat er in de moeilijkheden van het leven te dragen met volharding…)
Op dezelfde wijze als de  overwinning getuigt van de moed van de soldaat in de strijd, zo blijkt op dezelfde wijze de heiligheid van wie de zware arbeid en de bekoringen ondergaat met onverstoorbaar geduld (Cyrillus van Jerusalem, Catechese over de mysteries, 4).

10. (De heiligheid kent geen grenzen, we kunnen er steeds verder in groeien en God meer naderen…)
Wat betreft de deugd, hebben we geleerd van de Apostel (Paulus) dat er slechts een beperking is van de volmaaktheid: geen enkele beperking te hebben. Daarom hield deze mens van open en verheven geest, de heilige Apostel, niet op om vooruit te streven omdat hij de wedren niet wilde staken. Waarom? Omdat elk goed uit zijn eigen aard geen enkele grens kent. (Gregorius van Nissa, Leven van Mozes, 5-6)

11. (H. Augustinus toont het belang van de moeilijkheden em de bkoringen op weg naar de heiligheid…)
Ons leven op deze weg in het ondermaanse kan niet zonder beproevingen zijn, onze vooruitgang kan kan slechts een feit zijn in de beproevingen en niemand kent zichzelf als hij niet is bekoord. Er is slechts een beloning voor wie heeft overwonnen, er is slechts een overwinning voor wie gestreden heeft, er is slechts een strijd als er ook een tegenstander of een bekoring is. (Augustinus, Commentaar op Psalm 60, 3)

12. Het zelfde lijden dat wij verdragen, moesten ook onze vaderen verdragen; daar bestaat geen onderscheid. En toch klagen mensen over hun tijd, alsof de tijden van onze vaderen beter waren. En als zij terug zouden kunnen keren naar de tijden van onze vaderen, zouden ze evenzeer klagen. Het verleden achten wij beter, eenvoudigweg omdat het niet onze tijd is. (Augustinus, Sermo 2, 2)

13. Prototype: de eerste christenen. We moeten zo heilig zijn als zij, zo offerbereid, zo onthecht, zo ijverig voor de eer van God, met dezelfde bekeringsijver, zo zeer van de Kerk. (Petrus Poveda, Vivir como los primeros cristianos, 2003, blz. 33)

Martelaren in Rome

14. (Heilige Jozefmaria laat ons beschouwen hoe de eerste christenen elkaar noemden: heiligen…)
Heiligheid: hoe vaak spreken wij dat woord niet uit als was het een leeg omhulsel! Voor veel mensen is zij zelfs een onbereikbaar ideaal, een loze kreet van de ascetiek, maar geen concreet doel, geen levende werkelijkheid. Heel anders dachten de eerste christenen, die elkaar vaak en heel vanzelfsprekend met “heiligen” aanspraken: alle heiligen groeten u (Rom. 16, 15), groet alle heiligen in Christus Jezus (Fil. 4, 21). (Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langskomt, 96)

15. Maar verlies niet uit het oog, dat niemand als heilige geboren wordt. De heilige wordt gesmeed in het voortdurende samenspel van de genade van God en het antwoord van de mens daarop. Alles wat groeit —daarop vestigt een christelijk schrijver uit de eerste eeuwen in verband met de vereniging met God de aandacht— begint klein. Door zich allengs te voeden wordt men in steeds toenemende mate groter (H. Marcus Kluizenaar, De lege spirituali, 172 (PG 65, 926)). Daarom zeg ik u dat, als u zich op alle terreinen als een christen wilt gedragen —en ik weet dat u zich daarop ingesteld hebt, ook al kost het u vaak moeite uzelf te overwinnen of dat arme lijf telkens weer voort te jagen— u dan de uiterste zorg aan de kleinste details moet besteden. U kunt immers de heiligheid die Onze Heer van u eist, alleen bereiken door met liefde tot God uw werk te doen, uw plichten van elke dag na te komen, die bijna altijd bestaan uit kleine tastbare feiten. (Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 7)

16. De eerste christenen, die zowel uit het joodse volk als uit de andere volken kwamen, onderscheidden zich van de heidenen niet alleen door hun geloof en hun liturgie, maar ook door het getuigenis van hun door de nieuwe wet geïnspireerde zedelijk gedrag. (Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 26)

St Augustinus

17. (In de volgende nummers spreekt Benedictus XVI ons, met woorden van de Kerkvaders, over de wil van God dat wij op Hem gelijken, Hij geeft ons zijn genade en stelt ons in staat tot heiligheid die bestaat in de vereenzelviging met het leven van Christus…)

Omdat Hij u heeft opgedragen om, wanneer u bidt, God Vader te noemen, zegt Hij u [daarmee] om zonder meer gelijk te worden aan uw hemelse Vader, door een leven dat God waardig is, zoals de Heer ons dat elders nog duidelijker zegt: 'Weest dus volmaakt zoals uw Vader in de hemel volmaakt is' (Mt. 5, 48). (Benedictus XVI, Audiëntie over Gregorius van Nyssa, 5 september 2007)

18. Door mens te worden, heeft Christus ons de mogelijkheid gegeven om op onze beurt te worden zoals Hij. De Nazianzener spoort aan: "Laten we trachten te zijn als Christus, want ook Christus is geworden zoals wij: goden te worden door middel van Hem, aangezien Hij zelf, door middel van ons mens is geworden. Het ergste nam Hij op zich om ons het beste te schenken" (Benedictus XVI, Audiëntie over Gregorius van Nazianze op 22 augustus 2007)

19. (...) de volmaaktheid die wij willen vinden is niet iets dat eens en voorgoed veroverd wordt; volmaaktheid bestaat in dit onderweg blijven, in een voortdurende bereid zijn om vooruit te gaan, want de volledige gelijkenis met God wordt nooit bereikt; we zijn er altijd naar onderweg (Vgl. Gregorius van Nyssa, In Canticum homilia, 12: PG 44, 1025d). De geschiedenis van elke ziel is die van een liefde die telkens vervuld wordt en die tegelijkertijd open staat naar nieuwe verten, want God verruimt voortdurend de mogelijkheden van de ziel, om haar in staat te stellen steeds groter goed te ontvangen. God zelf, die in ons de kiemen van het goede heeft gelegd en van wie alle initiatief tot heiligheid uitgaat, "modelleert het blok... door onze geest bij te vijlen en schoon te maken, vormt Hij in ons Christus" (Gregorius van Nyssa, In Psalmos, 2, 11: PG 44, 544B). (Benedictus XVI, Audiëntie over Gregorius van Nyssa op 5 september 2007).

20. Hij wijst er op dat een moedig streven naar de volmaaktheid een constante waakzaamheid vraagt, veelvuldige, zij het goed gemodereerde en met wijze voorzichtigheid gepraktiseerde versterving, een gedegen arbeid, intellectueel of met de hand, om ledigheid te voorkomen (Vgl. Hiëronymus, Epistolarium, 125, 11 en 130, 15) en vooral gehoorzaamheid aan God: "Niets... behaagt zozeer aan God als de gehoorzaamheid… die de hoogste en enige deugd is" (Hiëronymus, Hom. de oboedientia, CCL 78,552). (Paus Benedictus XVI, Audiëntie over Hiëronymus op 14 november 2007)

Artikel van primeroscristianos.com, vertaling WV

Chronologie

 
top
Laatste update: