Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > De eerste christenen en de overledenen

De eerste christenen en de overledenen

in de maand november

Jules-Eugène Lenepveu, De martelaren in de catacomben, 1855. Musée d'Orsay, Parijs

‘Wie zijn dat in die witte kleren en waar komen zij vandaan?’ (...) ‘Dat zijn degenen die uit de grote verdrukking komen, die hun kleren hebben wit gewassen in het bloed van het lam. Daarom staan zij voor de troon van God, en dienen ze Hem dag en nacht in zijn tempel (...)'. (Apocalyps 7,13-15)

Eer en respect jegens de doden

De Katholieke kerk heeft vanaf de tijd van de eerste christenen, steeds de overledenen met heilig respect behandeld. Dit respect en de begraafrituelen waarmee men ze heeft omgeven, maken dat we kunnen spreken van een cultus jegens de doden. Dit is een cultus niet in de strikte theologische betekenis, maar opgevat als een groot en heilig eerbetoon aan de overleden zielen door hen die geloven in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.

Het christendom in de eerste eeuwen verwierp de eredienst van de oude beschavingen jegens de overledenen niet, maar ze versterkte ze na ze gezuiverd te hebben, door er de ware transcendente betekenis aan te geven in het licht van de kennis van de onsterfelijkheid van de ziel en het dogma van de verrijzenis. Het lichaam -dat gedurende het leven de "tempel van de heilige Geest" en "lichaamsdeel van Christus" is geweest en wiens definitieve bestemming de de geestelijke omvorming is in de verrijzenis- is in de ogen van de christenen altijd het respect en de verering waardig geweest zoals de heiligste dingen.

We zien dan ook dat in navolging van wat Jozef van Arimatea, Nicodemos en de vrome vrouwen deden met de Heer, de lichamen meestal werden gewassen, gezalfd, gewikkeld in linnen met aromatische planten, en zo zorgvuldig in het graf gelegd. Dit respect heeft zich geuit in eerste plaats in de wijze zelf van begraven van de lichamen.

In de martelaarsakten van sint Pancratius valt te lezen dat de martelaar werd begraven "na te zijn gezalfd met geurige olie en gewikkeld in kostbaar linnen"; en het lichaam van de heilige Cecilia bleek, toen de kist van cypreshout in 1599 geopend werd, te zijn gekleed in kostbare stoffen.

Maar niet alleen de zorgzame voorbereiding van het lichaam is een teken van de vroomheid en eredienst van de christenen jegens de overledenen. Ook het graf spreekt van de zelfde gevoelens. Dat valt te zien in de verering van de graven vanaf de tijd van de eerste christenen: zij spreidden bloemen over de graven en goten geurstoffen uit over de graven van de beminden.

De catacomben

In de eerste helft van de tweede eeuw, nadat zij enkele pachten en schenkingen hadden verkregen, begonnen de christenen hun doden onderaards te begraven. Zo begon men catacomben uit te graven. Vele daarvan werden uitgegraven en uitgebreid rondom de graven van de families van eigenaars, meestal recent bekeerd, die de catacomben niet voor zich alleen behielden, maar ze openstelden voor hun broeders in het geloof.

In de loop van de tijd werden deze grafvelden uitgebreid, soms op initiatief van de kerk zelf. Een typisch voorbeeld hiervan zijn de catacomben van de heilige Callixtus: de kerk nam zelf direct het beheer en de organisatie ervan op zich, voor het algemeen nut. 

Met het Edict van Milaan door de keizers Constantijn en Licinius in februari 313, hielden de christenen op vervolgd te worden. Zij konden nu vrij hun geloof belijden, cultusplaatsen en kerken bouwen binnen en buiten de stadsmuren en grond kopen zonder het risico te lopen dat deze geconfisceerd zouden worden.

Toch bleven de catacomben functioneren als begraafplaatsen tot het begin van de vijfde eeuw, toen de kerk opnieuw aan het aardoppervlak ging begraven en in de basilieken die gewijd waren aan belangrijke martelaren.

De verering van de gelovigen concentreerde zich bijzonder op de graven van de martelaren; precies daar ontstond een heiligenverering. Toch ontnam deze bijzondere aandacht voor de martelaren niets aan de algemene waardering voor de overledenen in het algemeen. Sterker nog, ze werd er door bevestigd.

Want in de gedachte van de eerste christenen was de martelaar, slachtoffer van een onverstoorbare trouw aan Christus, onderdeel van de groep van vrienden van God die vanaf het moment van hun dood de zaligmakende aanschouwing genoten. En wie zouden betere voorsprekers kunnen zijn dan deze vrienden van God?

De gelovigen begrepen dat op deze manier en hielden het dan ook voor een hoge eer om na de dood begraven te kunnen worden in de nabijheid van de lichamen van deze martelaren, vandaar de uitdrukking een begrafenis ad sanctos

De nabestaanden begrepen dat de overledenen geen groter eerbetoon ten deel kon vallen dan hun doden te begraven in de nabijheid van de martelaren

Met een dergelijke plaats en wijze van begraven, verzekerde men zich er van dat niet alleen het graf ongeschonden zou blijven, maar ook van een grotere en effectievere voorspraak en bescherming van de heilige.

Zo werden de basilica's en kerken in het algemeen waarachtige begraafplaatsen, waardoor de kerkelijke autoriteiten genoodzaakt werden paal en perk te stellen aan het begraven in de godshuizen.

Uitvaart en begrafenis

Deze beperking deed echter niets af aan de gevoelens van diep respect en verering die de Kerk altijd heeft betoond en blijft betonen voor haar gestorven kinderen.

Vandaar dat ondanks de beperking waartoe men zich genoodzaakt zag om misbruik te voorkomen, men volhardde in de wil om hen te eren.

Zo werd vastgesteld dat, voor men tot begraven overging, de overledene naar de kerk zou worden gebracht en -geplaatst voor het altaar- dat daar een Mis werd opgedragen voor de overleden ziel.

Deze praktijk heeft zich voortgezet tot in onze dagen. Ze was al gemeengoed in de vierde eeuw, en Augustinus getuigt er van in zijn Confessiones als hij spreekt over de begrafenis van zijn moeder Monica.

Augustinus verklaarde ook aan zijn christelijke tijdgenoten dat deze eerbewijzen geen enkel nut of eer aan de doden zou betekenen als zij niet vergezeld zouden zouden gaan van de geestelijke eerbewijzen van het gebed: "Zonder deze gebeden, geïnspireerd in het geloof en het respect jegens de doden, geloof ik dat het hun zielen tot niets zou dienen dat hun levenloze lichamen op een heilige plaats worden gelegd. Zo is het, en overtuigen we ons ervan dat we de overledenen slechts een dienst bewijzen als we voor hen het altaaroffer opdragen, het smeekgebed of de aalmoes"  (De cura pro mortuis gerenda, 3 en 4).

Zo begreep de Kerk de plaats van de overledenen, en omdat de zorg altijd bestond een waardige begrafenis te geven aan haar kinderen, opende ze voor hen de geestelijke schatten waarvan ze de bewaarder is. De oneindige verlossende verdiensten van Christus wilde zij dus toepassen op haar overledenen en nam daarbij de gewoonte aan op bepaalde dagen op hun graven het offer op te dragen dat Augustinus zo mooi noemt: sacrificium pretii nostri, het offer van onze verlossing.

Al in de dagen van Ignatius van Antiochië en Policarpus spreekt men hierover als iets dat op traditie is gebaseerd. Ook hier degenereerde een gebruik in misbruik, en de kerkelijke autoriteit moest ingrijpen en dit inperken. Zo bepaalde men dat de Mis alleen werd opgedragen op de graven van de martelaren.

De overledenen in de liturgie

Anderzijds is vanaf de derde eeuw de gedachtenis van de overledenen in de diverse liturgieën al gemeengoed. 

Dat wil zeggen dat behalve in de speciale Missen die voor hen werden opgedragen in de nabijheid van de graven, in de andere synaxes —zoals op de dag van vandaag— een gedachtenis inlaste —memento— voor de overledenen.

Dezelfde geest van verbondenheid en liefde beheerst nog steeds alle gebeden en ceremonies van de prachtige uitvaartritus.

Vertaald artikel van primeroscristianos.com, door WV

Chronologie

 
top
Laatste update: