Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > De eerste christenen en het huwelijk

De eerste christenen en het huwelijk

Huwelijk tussen twee Romeinse burgers, sarcofaag in Museo di Capodimonte

Het huwelijk in de eerste eeuwen

Zoals de Brief aan Diognetus zegt halverwege de tweede eeuw, "trouwen de christenen zoals allen" (V,6), op Joodse wijze, op Griekse wijze of op Romeinse wijze. Zij aanvaarden de keizerlijke wetten, zolang ze niet indruisen tegen het Evangelie. Het huwelijk wordt gevierd "in verbondenheid met de Heer" (1Kor 7,39), binnen de gemeenschap, zonder bijzondere ceremonie.

In de joodse wereld werd het huwelijk gevierd volgens de traditionele gewoonten en riten (vgl. Gen 24 en Tob 7,9,10). Een zekere tijd na de verloving volgde het huwelijk. In die joodse wereld was het huwelijk een besloten gezinsaangelegenheid. Het werd niet in de synogoge gevierd, maar thuis. Hoewel, alles in Israël had een godsdienstige dimensie. De viering ervan bevatte ook gebed en zegening.

In de Romeinse wereld deden zich drie vormen voor van huwelijksviering. De "confarreactio" (met bruidstaart), de oudste vorm, bevatte ceremonies van juridische en religieuze aard [1]. In de keizerlijke periode kwam deze vorm nauwelijks meer voor. De meest voorkomende vormen waren de "coemptio", een ritus die de aankoop van de bruid symboliseerde, en de "usus" (gebruik), eenvoudig samenleven na wederzijdse wilsinstemming met het huwelijk.

De "consensus" (instemming) werd het gangbare essentiële van het huwelijksverbond. De Digesta zegt in dit verband: "Het is niet de geslachtsgemeenschap die het huwelijk maakt, maar de wilsinstemming" (Nuptias non concubitus, sed consensus facit - 35,I,15). Als zodanig was daar geen geëigende ritus voor nodig, noch de aanwezigheid van een magistraat. Het burgerlijk gezag deed niets meer dan het bestaan van het huwelijk erkennen, en in zekere zin de huwelijksband beschermen door er bepaalde voorwaarden aan te stellen.

De christenen trouwen zoals iedereen, maar "zij geven er een eigen teneur aan, bewonderenswaardig en -zoals enkelen zeggen- verrassend" (Brief aan Diognetus V,4). Zij staan open voor nieuw leven en respecteren het huwelijksbed: "Zoals allen brengen zij kinderen voort, maar leggen hun nageslacht niet te vondeling. Zij delen hun tafel met allen, maar niet hun bed" (V,6 en 7).

Ignatius van Antiochië (rond het jaar 107) nodigt de christenen uit zich in de echt te verbinden "met kennisname van de bisschop, opdat het huwelijk overeenkomstig de Heer is, en niet slechts uit verlangen" (Aan Polycarpus 5,2).

Tertullianus (rond 160-220) zet het voordeel uiteen om in de Heer te trouwen: "Hoe kunnen we in staat zijn het zo grote geluk te verheerlijken dat zo'n huwelijk is: een huwelijk dat de Kerk sluit, dat een offer bevestigt, dat de zegening aangeeft, dat de Engelen aankondigen, dat de Vader bevestigt?" (Ad uxorem II 8,6.7.9).

De huwelijksinstemming

Van de vierde tot de negende eeuw wordt het kerkelijke karakter onderstreept van de huwelijksviering, en men geeft duidelijk aan dat de ceremonies (gebed en zegening) niet verplicht zijn voor de geldigheid van de verbintenis. De eerste getuige die spreekt van een waarachtige liturgische huwelijkszegening dateert van de tijd van paus Damasus (366-384). We vinden ze in de werken van de Pseudo-Ambrosius (Ambrosiaster). De zegening wordt slechts gegeven in een eerste huwelijk.

Uit deze getuige blijkt duidelijk de invloed van het Romeins recht, volgens welke alleen de instemming strikt genomen noodzakelijk is voor het huwelijk, in welke vorm dan ook. Paus Nicolaas I zegt in 866 in zijn antwoord op de Bulgaren, die hem consulteren over de kerkelijke ceremonies (gebed en zegening) waarvan enkele beweerden dat deze de constitutieve elementen vormden van het huwelijk: "De instemming alleen van hen wier eniging in het geding is, is voldoende. In die huwelijken, waarin deze enkele instemming mocht ontbreken, ontbeert al het andere, zelfs als gemeenschap heeft plaats gevonden, zijn waarde" (D 334).

In de hierop volgende eeuwen, als de kerk haar juridische competentie in zake huwelijk opeist, komen priester en kerk in beeld. Dan wordt beschikt dat de wilsuitdrukking in de tegenwoordigheid van de priester wordt gedaan (negende-elfde eeuw). Daar hoort ook het overhandigen van het bruidskleed bij. Dan wordt verlangd dat zulks in de kerk wordt gedaan of, vaker nog, voor de deuren van de kerk, zoals verschillende ritualen uit de elfde tot veertiende eeuw aangeven. Na deze handeling volgt dan de viering van de Mis met de zegening van de bruid.

Om de meeste ruchtbaarheid te kunnen geven, werd overeengekomen dat de huwelijksinstemming niet meer in het huis van de bruid werd uitgesproken, maar voor de deur van de kerk. Hiermee werd de taak van de vader of patroon nu overgenomen door de priester. Hij gebruikte daarbij woorden zoals: "Ik geef u N. als echtgenote" (Rituale van Meaux). Tussen de vijftiende en de zestiende eeuw wordt de formule verspreid: "En ik verbind u ..." die enkele zullen gaan beschouwen als de sacramentele vorm van het huwelijk.

Huwelijkstrouw

Het Christendom markeerde een duidelijk onderscheid met gangbare gebruiken aangaande de trouw. Hier gaan de postulaten van de christelijke moraal verschillen met de heidense opvatting van het huwelijk. De heidenen beschouwden de echt als een simpel maatschappelijk feit, dat kon worden aangegaan en ontbonden door het besluit van een van de partijen. De christenen beschouwden de ontrouw van de man zo groot als die van de vrouw, in beide gevallen het begaan van een grove fout.

Voor Augustinus is het huwelijk een goed in zichzelf, niet in vergelijking met het overspel, maar sui generis. De eerste natuurlijke alliantie van de mensenmaatschappij wordt ons dus gegeven door een man en een vrouw in de echt verbonden. De kinderen komen onmiddelijk de vruchtbaarheid van de echtelijke maatschappij verstevigen als een eerlijke vrucht. Een vrucht niet alleen van de vereniging van een man met een vrouw, maar van de vriendschap en de echtelijke omgang tussen beide.

Augustinus verbaast zich over de kracht van het huwelijk, en besluit dat er iets groots en goddelijks steekt in dit sacrament: "Ik kan niet geloven, op geen enkele wijze, dat het huwelijk zulke kracht en cohesie zou kunnen hebben -gezien deze staat van kwetsbaarheid en sterfelijkheid waaraan we onderworpen zijn- als er niet in haar een mysterieus teken van een nog grotere realiteit in zou steken. Dat wil zeggen, van een sacrament waarvan het onuitwisbaar merkteken niet ongestraft kan worden verminkt door mensen die de plicht verlaten of die zich van zo een heilige band willen ontdoen.

Op dezelfde wijze werd de gelijkheid van de man en de vrouw in het huwelijk een nieuwheid in de onderhavige maatschappij. In de echt tussen christenen is de positie van de vrouw er een van gezellin met rechten die gelijk zijn aan de echtgenoot. Dientengevolge kent het Christendom de hoogste waardering toe aan de vrouw, als we ze haar beschouwen in vergelijking met de meerderheid van de heidense godsdiensten van die tijd.

Artikel gepubliceerd in primeroscristianos.com, heden niet meer aanwezig; vertaling WV.

[1] Confarreactio en difarreactio, zie: E.J. Monchablon, Dizionario compendiato di antichità per maggiore intelligenza dell'istoria sacra e profana e dei classici Greci e Latini, Firenze 1821 (vert. uit Frans), blz. 138 en 114.

Chronologie

 
top
Laatste update: