Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > De vervolgingen > De vervolgingen van de derde eeuw

De vervolgingen van de derde eeuw

De grote crisis van de derde eeuw

In de derde eeuw breekt in Rome een ernstige crisis uit. De relaties tussen christenen en het romeinse rijk verslechteren (hoewel niet allen het bemerken).

Het Romeinse Colosseum

De grote crisis wordt als volgt beschreven door de Griekse geschiedschrijver Herodianus *: In de afgelopen twee eeuwen volgden de vorsten elkaar nog niet zo snel op, noch werden zo veel burgeroorlogen gevoerd en oorlogen tegen de buurlanden. Een ontelbaar aantal aanvallen werd uitgevoerd op steden binnen het keizerrijk en in de barbaarse landen, vele aardbevingen en pestepidemieën, vele koningen en usurpators. Een enkele van hen bleef lange tijd aan de macht, anderen voor zeer korte tijd. Een enkeling werd uitgeroepen tot keizer en als zodanig geëerd, maar dat duurde slechts een dag en hij eindigde daarmee.

Het Romeinse keizerrijk had zich geleidelijk uitgebreid door de verovering van nieuwe provincies. Deze voortdurende expansie zorgde voor de mogelijke ontginning van uitgestrekte gebieden. Egypte vormde de graanschuur van Rome, Spanje en Gallië haar wijngaard en olijfgaard. Rome had zich nieuwe mijnen toegeëigend; Dacia werd veroverd om zijn goudmijnen. De veroveringsoorlogen zorgden voor grote menigten van slaven, de krijgsgevangenen, die goedkope arbeidskracht leverden. Tegen de helft van de derde eeuw bemerkte men dat de rust ten einde was. In het Oosten had zich het rijk gevestigd van de Sassaniden, een volk dat zware aanvallen uitvoerde op de Romeinen. In het jaar 260 werd keizer Valerianus gevangen genomen met zijn gehele leger van zeventigduizend man, en de oostelijke provincies werden verwoest. De pest hield ernstig huis binnen de overlevende legioenen en breidde zich snel uit over het rijk.

In het Noorden vormde zich een andere conglomeraat van sterke volkeren: de Gothen. Zij liepen Messia en Dacia onder de voet. Keizer Decius en zijn leger werden in 251 totaal verslagen. De Gothen trokken verwoestend zuidwaarts tot Sparta, Athene en Ravenna. De hoge cultuur gleed geleidelijk af tot een primitieve staat. De landbouw en de handel kwamen stil te liggen. In deze grote onzekerheid miste men het meest de zekerheid die de Staat eens bood. De heidense volken vinden de meest bijzondere goden die hen moeten gaan beschermen. Op de Quirinale wordt een tempel gebouwd voor de godin Isis. Keizer Heliogabalus (of Marcus Aurelius Antoninus Augustus) voert de cultus van de zonnegod in, en het volk neemt zijn toevlucht tot magische rituelen om de pest te bezweren.

En ook worden de christenen hard vervolgd. Dit maal niet om hun «onredelijkheid» (temidden van magische rituelen is het Christendom nu het enige rationele systeem), maar om een ethnische zuivering.  Vele keizers (voornamelijk van barbaarse afkomst nu) zien hun enige redding in een terugkeer naar de gecentraliseerde eenheid. Zij verordonneren de uitroeiing van de christenen die steeds talrijker worden. Zo hopen zij het Romeinse volk te zuiveren van dit Fremdkörper dat zich steeds meer voordoet als een nieuw volk dat bereid is om de tanende heerschappij van geweld, wapens en bedrog over te nemen.

Septimius Severus, Maximinus de Thraciër, Decius en Trebonianus Gallus

Keizer Septimius Severus

Met Septimius Severus (193-211) de vader van een Syrische dynastie, lijkt er voor de christenen een fase aan te breken van ongestoorde groei. Christenen oefenen aan het hof belangrijke functies uit. Slechts in het tiende jaar van zijn regering (202) verandert de keizer zijn opstelling. In het jaar 202 vaardigt de keizer een edict uit waarmee elk die zich bekeert tot het jodendom of christendom met ernstige straffen bedreigd wordt. Deze radicale omwenteling kan slechts begrepen worden als reactie van de keizer die inziet dat de christenen zich steeds hechter groeperen in een universele en georganiseerde godsdienstige maatschappij. Deze maatschappij heeft de kracht tot tegenstand die hem verdacht lijkt in staatspolitieke zin. De grootste verwoesting hebben de fameuze school van Alexandrië en de Afrikaanse christengemeenschappen te verduren.

Maximinus de Thraciër (235-238) reageerde gewelddadig jegens vrienden van zijn voorganger, maar Alexander Severus was verdraagzaam jegens de christenen. De Kerk van Rome werd bijna te gronde gericht met de deportatie naar de mijnen van Sardinië van twee hoofden van de christengemeenschap: de bisschop Pontianus en de presbyter Hippolytus. Dat de houding van het volk jegens de christenen niet veranderd was, blijkt een waarachtige jacht op de christenen die ontstond in Cappadocië, toen men meende dat zij de schuldigen waren van een aardbeving. De volksopstand laat zien tot op welke hoogte de christenen nog werden beschouwd als «vreemden en kwaadaardig» (vgl. K. Baus, Le origini, blz. 282-287).

Onder keizer Decius (249-251) ontketende zich de eerste systematische vervolging van de Kerk, met de bedoeling haar met wortel en tak uit te roeien. Decius (hij volgde Filippus de Arabier op die de christenen gunstig gezind was, hoewel zelf geen christen) was een senator afkomstig uit Pannonië, en was zeer gehecht aan de Romeinse tradities. Het ging hem zeer aan het hart dat het rijk politiek en economisch verscheurd was, en hij meende de eenheid te kunnen herstellen door alle kracht te bundelen rondom de beschermgoden van de staat. Alle ingezetenen werden verplicht te offeren aan de goden en ontvingen daarvoor een certificaat. De christengemeenschappen raakten in onrust door deze storm. Allen die deze daad van onderwerping weigerden werden gearresteerd, gemarteld en geëxecuteerd. Dat gold zo voor bisschop Fabianus en vele priesters en leken met hem. In Alexandríë ging de vervolging vergezeld met plunderingen. In Asia waren de martelaren talrijk: de bischoppen van Pergamon, Antiochië en Jerusalem. De grote geleerde Origenes werd onderworpen aan onmenselijke marteling. Hij overleefde de kwellingen nog vier jaar, maar was de oude niet meer.

Cornelius paus

Niet alle christenen verdragen de vervolging. Velen stemden in te offeren, anderen verkregen heimelijk het certificaat door omkoping. Onder hen, volgens brief 67 van Cyprianus, tenminste twee Spaanse bisschoppen. De vervolging lijkt de Kerk dodelijk te raken, maar ze eindigt met de dood van Decius tijdens de veldslag tegen de Gothen op de vlakte van Dobrugia (Roemenië). (Vgl M. Clèvenot, I Cristiani e il potere, blz. 179 vv.). De zeven jaren die daarop volgen (250-257) zijn jaren van rust voor de kerk, slechts verstoord in Rome door een kort durende golf van vervolging als keizer Trebonianus Gallus (251-253) het hoofd van de christengemeenschap Cornelius laat arresteren en hem verbant naar Centum Cellae (Civitavecchia). Het optreden van Gallus moet waarschijnlijk worden toegeschreven aan zijn instemming met het gerucht onder het volk, dat de christenen de schuldigen waren voor de pest die het keizerrijk teisterde. Het christendom werd nog gezien als een vreemd en kwaadaardig «bijgeloof» (Vgl K. Baus, Le origini, blz. 292).

Valerianus en de staatskas

In het vierde jaar van het bewind van Valerianus (257) zag een onvoorziene, harde en bloedige vervolging van de christenen. Het ging hier echter niet on een religieuze kwestie, maar om geld. Geconfronteerd met de instabiele toestand van het keizerrijk, zette Macrianus (later dictator) keizer Valerianus aan om de tekorten aan te vullen door beslag te leggen op de bezittingen van christenen. Vele bekenden werden tot martelaar gemaakt, van bisschop Cyprianus tot paus Sixtus II, tot de diaken Laurentius. Maar dit betrof slechts roof met ideologische motieven omkleed, dat eindigde met het tragische einde van Valerianus. In 259 viel deze met heel zijn leger in handen van de Perzen, en werd tot een slavenbestaan gedwongen tot de dood er op volgde.

Financiële ramp komt op Diocletianus neer

Aurelianus

In 271 beval keizer Aurelianus de Romeinse soldaten en burgers de grote provincie Dacia en zijn goudmijnen aan de Gothen te laten: want de verdediging van deze streken had al te veel bloed gekost. Omdat er nu geen provincies meer waren om te veroveren en uit te buiten, kwam nu alles op de schouders van de gewone burger. Hij bracht steeds meer op: belastingen, schattingen, kosten van openbare werken (onderhoud van aquaducten, kanalen, riolen, wegen, openbare gebouwen...). Men wist werkelijk niet meer of men werkte om te overleven of om belasting te betalen. In het jaar 284 werd Diocletianus tot keizer uitgeroepen, na een schitterende militaire carrière. Diocletianus was uit Dalmatië afkomstig. Door de rampspoed in de provincies werden de belastingen in het vervolg betaald per hoofd en per juk, dat wel zeggen zowel per persoon als per bebouwbaar stuk grond. De inning werd verricht door een inmense burocratie die niets liet lopen. Zo was belastingontduiking onmogelijk, de fiscus strafte ongenadig wie zich daaraan bezondigde. De bureaucratie kostte de staat enorm veel geld. De belastingen waren zo zwaar dat ze de lust tot werken ontnamen. Als remedie werd het daarom verboden de werkvloer te verlaten, het land dat men bewerkte, de werkplaats, het uniform. «Zo nam de woeste poging van de Staat een aanvang -schrijft F. Oertel, hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Bonn- om de bevolking uit te wringen tot de laatste druppel... Onder Diocletianus kwam een integraal socialisme van de staat tot stand: een terreur van ambtenaren, een sterke beperking van de individuele inspanning, een progressieve staatsinmenging, zeer grote belastingdruk».

 

* Herodianus van Syrië (ca. 170–240), Romeins ambtenaar die in het Grieks een Geschiedenis van het keizerrijk na Marcus Aurelius schreef. Het werk bestaat uit acht delen, en beschrijft de jaren 180 tot 238.

Chronologie

 
top
Laatste update: