Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > De vervolgingen > De vervolgingen van de eerste eeuw

De vervolgingen van de eerste eeuw

Een nieuw en kwaadaardig bijgeloof

De eerste keer dat de romeinse staat radicaal stelling nam tegen de christenen was onder keizer Claudius (41-54 n.Chr.) De geschiedschrijvers Suetonius en Cassius Dio schrijven dat Claudius de joden verdreef omdat zij voortdurend onderling ruzie maakten over een zekere Chrestos. «We staan voor de eerste reacties die zijn opgewekt door de christelijke boodschap in de gemeenschap van Rome», beweert Karl Baus.

Keizer Claudius

De geschiedschrijver Caius Suetonius Tranquilus (70- ca. 140), een hoge keizerlijke ambtenaar onder Trajanus en Hadrianus, een intelectueel en raadsheer van de keizer, rechtvaardigde deze en de opvolgende ingrepen van de staat tegen de christenen door ze te definiëren als aanhangers van een «nieuw en kwaadaardig bijgeloof»: hij wond er geen doekjes om.

Betiteld als bijgeloof komt het Christendom op hetzelfde niveau te staan als tovenarij. Voor de Romein waren dat irrationele praktijken die obscure tovenaars en magiërs gebruikten om simpele zielen zonder filosofische kennis te bedriegen. De tovenarij is het irrationele versus het rationele, de volkskennis versus de filosofische kennis. De beschuldiging van magie (zoals die van zwakzinnigheid) is een wapen waarmee de Romeinse staat nieuwe en tijfelachtige elementen zoals het Christendom uit de maatschappij bant en ze aan contrôle onderwerpt.

Met de betiteling kwaadaardig (maleficus, drager van het kwaad) werd verdenking gevoed bij het volk dat zich bij deze nieuwheid (zoals bij elke nieuwheid) voorstelling maakte van de gruwelijkste wreedheden. Daarom werd het Christendom ook als oorzaak aangewezen van alle kwaad dat zich van tijd tot tijd op onverklaarbare wijze aandiende, van de pest tot hongersnood, van overstroming tot het binnenvallen van de barbaren.

Nero en de christenen, volgens Tacitus

In het jaar 64 verwoestte een brand tien van de veertien wijken van Rome. Keizer Nero, die er van werd beschuldigd zelf de aanstichter te zijn, wees de christenen aan als zondebok. De eerste grote vervolging neemt een aanvang, en ze zal duren tot het jaar 68. Onder andere de apostelen Petrus en Paulus vallen als slachtoffers.

De historicus Tacitus Cornelius (54-120), senator en consul, beschrijft deze gebeurtenis in zijn Annales ten tijde van keizer Trajanus. Hij beschuldigt Nero ervan de christenen onterecht in staat van beschuldiging te hebben gesteld. Tegelijkertijd schrijft hij ervan overtuigd te zijn dat deze wel de strengste straffen verdienen, want hun bijgeloof zet ze aan tot wandaden. Hij deelt zelfs het medelijden niet dat enkelen voelen bij hun martelingen. Hier volgt de beroemde pagina van Tacitus:

«Om de geruchten te lijf te gaan, bedacht Nero zelf de schuldigen, en onderwierp aan de geraffineerdste straffen hen die het volk christenen noemt, en die slecht bekend stonden om hun schanddaden. Hun naam kwam van Christus, die onder Tiberius werd veroordeeld tot de dood op bevel van procurator Pontius Pilatus. Na een moment van rust brak dit kwalijk bijgeloof opnieuw uit. Dit maal niet slechts in Judea -plaats van oorsprong van deze gesel- maar ook in Rome waar alles dat schandelijk is en verwerpelijk samenstroomt en tot bloei komt.»

Chronologie

 
top
Laatste update: