Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > De vervolgingen > De vervolgingen van de tweede eeuw

De vervolgingen van de tweede eeuw

Een verboden maar onschadelijke organisatie

In het jaar 111 keerde Plinius de Jongere, gouverneur van Bitinië aan de kust van de de Zwarte Zee, terug van een inspectie door zijn welbevolkte en rijke provincie, toen een brand de hoofdstad Nicomedia verwoestte. Met brandweerlieden zou de schade beperkt hebben kunnen blijven.

Trajanus

Plinius deelde keizer Trajanus (98-117) mee: «Het is aan u, Heer, in te schatten of het nodig is een brandweer-vereniging op te richten van 150 man. Wat mij betreft, zou ik er voor zorgen dat zo'n vereniging slechts bestaat uit brandweerlieden...» Trajanus antwoordt hem met een afwijzing: «Vergeet niet dat jouw provincie in de ban is van zulke verenigingen. Hoe ze ook mogen heten, welk doel we ook willen meegeven aan die mannen verenigd in een korps, ze geven altijd en snel aanleiding tot eterias». De angst voor de eterias (het Griekse woord voor «verenigingen») oversteeg zo de angst voor brand.

Het verschijnsel was al oud. Verenigingen van willekeurig welke aard die veranderden in politieke groeperingen hadden de Caesar ertoe gebracht alle verenigingen te onderdrukken in het jaar 7 v.Chr: «Wie dan ook die een vereniging opricht zonder toestemming daartoe, is strafbaar met dezelfde straffen als voor gewapend optreden in openbare plaatsen en tempels». Hoewel de wet steeds van kracht was, bleven de verenigingen bloeien: van de veermannen van de Seine tot de geneesheren van Avenches, van de wijnhandelaren uit Lyon tot de trompetters van Lamesi. Allen beschermden de belangen van hun leden door druk uit te oefenen op de politieke autoriteiten.

Plinius aarzelde dan ook niet om het verbod op de eterías toe te passen in een speciaal geval dat zich voordeed in de herfst van het jaar 112. Bitinië was vol christenen. «Ze vormen een menigte van alle leeftijden, in de dorpen en het platteland», schreef hij aan de keizer. En hij voegde er aan toe dat hij aanklachten tegen hen heeft ontvangen van de vervaardigers van religieuze amuletten, die gehinderd worden door de christenen die verkondigen dat dergelijke prullen geen enkele waarde hebben. Hij stelde een onderzoek in om de feiten goed te kennen, en ontdekte zo dat zij «een gewoonte bezaten om op een vaste dag bij elkaar te komen, voor zonsondergang, om een hymne te zingen tot Christus als een god, om zich vast te leggen met een gelofte om geen misdaden te begaan, om geen diefstal noch bedrog noch overspel te plegen, om het gegeven woord niet te breken. Ze hebben ook de gewonte om bij elkaar te komen om te eten. Dit eten, niet tegenstaande de aantijgingen, is niets anders dan gewoon en onschuldig voedsel.» De christenen hebben deze bijeenkomsten zelfs niet onderbroken na het edict van de gouverneur dat de eterías verbood.

Ignatius van Antiochië

Zijn brief vervolgend (10, 96), informeert Plinius de keizer dat hij in dat alles niets slechts vindt. Maar de weigering om wierook en wijn te offeren voor de beelden van de keizer lijken hem een daad van heiligschennis. De volharding van deze christenen lijkt hem «onredelijk en dwaas».
Uit de brief van Plinius blijkt duidelijk dat de absurde beschuldigingen van rituele infanticide en incest zijn gestaakt. Wat blijft zijn «de weigering cultus te geven aan de keizer» (en daarmee het plegen van majesteitsschennis) en een etería te vormen.

De keizer antwoordt: «De christenen moeten niet officieel worden vervolgd. Als zij echter worden aangegeven en schuldig bevonden worden, moeten zij worden veroordeeld». Met andere woorden: Trajanus moedigt aan een oogje dicht te knijpen. Ze vormen een etería zo onschuldig als de schippers op de Seine en de wijnverkopers van Lyon. Maar aangezien ze een «onredelijk, dwaas en fanatiek bijgeloof aanhangen» (zoals Plinius en andere intellectuelen zoals Epictetus hun beoordelen), en omdat ze volharden in hun weigering de keizer cultus te geven (en daarmee zich "vervreemden" van het civiele leven) kan men ze niet ongemerkt voorbij laten gaan. Als zij worden aangegeven, dan moeten ze veroordeeld worden. Verder zegt hij (weliswaar minder hard)  «Het is niet toegestaan christen te zijn». Slachtoffers uit deze periode zijn de bisschop van Jerusalem Simeon, die op 120-jarige leeftijd wordt gekruisigd, en Ignatius, de bisschop van Antiochië. Hij wordt naar Rome gebracht als romeins burger en daar terechtgesteld. Dezelfde politiek jegens de christenen werd gevolgd door de keizers Hadrianus (117-138) en Antoninus Pius (138-161).

Marcus Aurelius: het christendom is een dwaasheid

Marcus Aurelius (161-180), keizer en filosoof, bracht zeventien van de negentien jaar als keizer door met het voeren van oorlog. In zijn Meditationes waarin hij in zijn legertent elke nacht enkele gedachten optekende «voor zichzelf», is een grote minachting te vinden jegens het Christendom. Hij beschouwde het als een dwaasheid, want het hield het gewone, onwetende volk voor hoe het zou kunnen leven (universele broederschap, vergeving, zich te geven aan anderen zonder er iets voor terug te verwachten) op een wijze die alleen filosofen zoals hij zouden kunnen begrijpen en beoefenen na lange overweging en met veel discipline. In een rescriptum van 176-177 verbood hij fanatieke secten die een cultus wilden introduceren en waarmee zij de staat in gevaar brachten. De situatie voor de christenen, die altijd al onaangenaam was, werd zo onder hem nog zwaarder.

Colloseum, Rome

De bloeiende gemeenten van Klein-Azië die gesticht waren door de apostel Paulus, stonden dag en nacht bloot aan plundering door het volk. In Rome werd de filosoof Justinus en een groep christelijke intellectuelen ter dood veroordeeld. De bloeiende gemeenschap in Lyon werd uitgeroeid nadat zij was beschuldigd van ateïsme en immoraliteit. (Ten gevolge van geraffineerde martelingen kwamen hier ook de jonge Blandina om, en de vijftienjarige Ponticus).

De verslagen die ons zijn overgeleverd, geven te kennen dat de openbare mening danig verbitterd was jegens de christenen. Grote catastrofes (van oorlogen tot aan de pest) wakkerden het vermoeden aan dat de goden Rome met minder gunstige ogen bezagen. Toen men vaststelde dat de christenen afwezig waren bij de grote boete-rituelen die de keizer had verordend, richtte de volkwoede zich op hen.

Deze situatie hield nog aan in de eerste jaren van keizer Commodus, zoon van Marcus Aurelius.

Het offensief van de intellectuelen tegen de christenen

Onder Marcus Aurelius bereikte het offensief van de intellectuele gremia in Rome tegen de christenen zjn hoogtepunt.

«Wijdverspreid en beneven de waarheid -schrijft Fabio Ruggiero- is de opvatting dat in de antieke wereld de nieuwe godsdienst werd bestreden met de wapens van het recht en de politiek. Met andere woorden, met de vervolgingen. Dat mag waar zijn (maar dan slechts ten dele) voor de eerste eeuw van de christelijke tjid, maar niet meer voor de tweede eeuw. Zowel de heidense wereld als de kerk zagen min of meer tezelfdertijd in dat het nodig was zich te verdedigen en te dialogeren op het terrein van de filosofische en theologische argumentatie. de antieke cultuur, die al eeuwen was gevormd in de fijnzinnige dialectiek, kon verfijnde wapens inbrengen tegen het geheel van de christelijke leer. En zeer spoedig zag de kerk zelf dat de kracht van het klassieke denken de verbreiding van het evangelie kon remmen. Zij besefte dat het nodig was een filosofisch-theologisch gedachtengoed te ontwikkelen dat werkelijk christelijk was, en tegelijkertijd in staat zich uit te drukken in een taal en in culturele categorieën die begrijpelijk was voor de grieks-romeinse wereld waarin zij steeds meer geworteld raakt.».

De argumenten van de anti-christelijke intellectuelen

De argumenten van Marcus Aurelius (121-180), Galenus (129-200), Lucianus, Peregrinus Protees en in het bijzonder van Celsus (de drie laatsten schrijven in de tweede helft van de tweede eeuw) kunnen als volgt worden samengevat:

Keizer Marcus Aurelius

«'Gered worden' van het gebrek aan betekenis van het leven, van de wanorde de gebeurtenissen, van het niets der dood, van de smart kan slechts in een 'filosofische wijsheid' gevonden worden door een elite van zeldzame intellectuelen.

Het feit dat de christenen deze 'redding' zeggen te vinden in het 'geloof' in een gekruisigde (zoals de slaven) in Palestina (een onbeduidende provincie) die gezegd worden verrezen te zijn is een dwaasheid. Het feit dat de christenen geloven in de boodschap van deze gekruisigde die vooreerst aan de gemargineerden en de armen (tot het menselijk stof) wordt gericht., en dat zij de universele broederschap verkondigt (in een maatschappij die sterk hiërarchisch is geordend in pyramide-vorm, en die de 'natuurlijke orde' beschouwd) is nog zo'n onverdraaglijke dwaasheid die alles verstoord. De christenen moeten uitgeroeid worden als vernietgers van de menselijke beschaving».

De kritiek van de anti-christelijke intellectuelen is met name gericht op idee van «openbaring van boven». Deze is niet gefundeerd op «filosofische wijsheid». Ze is gericht op de christelijke geschriften die historische, tekstuele en logische tegenspraken bevat; in de 'irrationele' dogma's; in de Logos van God die vlees wordt (Evangelie van Johannes) en zich onderwerpt aan de dood van de slaven; in de christelijke moraal (trouw in het huwelijk, eerlijkheid, respect jegens de ander, wederzijdse hulp) die toch slechts bereikt kan worden door een kleine groep van filosofen, en zeker niet door een in intellectueel opzicht arme massa.

Geheel deze christelijke doctrine is voor deze intellectuelen een dwaasheid, zoals het dwaas is om de verrijzenis voor te wenden (dat wil zeggen, de overwinning van de dood door het leven), om Gods voorkeur voor de nederigen voor te wenden, de universele broederlijkheid. Dat alles is irrationeel.

De Griekse filosoof Celsus schrijft in zijn Waarachtig discours: «Door onwetend volk dat behoort tot de allerlaagste rangen, verachten de christenen de eer en het purper, en gaan zij zo ver zich zonder aanzien des persoons broeders en zusters te noemen...

Het object van hun verering is een man die is gestraft met het zwaarste lijden. Van het vervloekte hout van het kruis maken zij een altaar, zoals decadenten en misdadigers past».

De eerste bedaarde reacties van de christenen

Voor tientallen jaren zwegen de christenen. Ze groeien door de stille kracht van het verbod. Tegenover die zwaarste beschuldigingen brengen zij liefde in en martelaarschap. In de tweede eeuw weerleggen de eerste apologeten (Justinus, Athenagoras, Tatianus) met de evidentie van de feiten de meest ernstige beschuldigingen. Zij trachten hun geloof uit te drukken (dat is geboren op semitische grond en neergelegd in «vertellingen») in termen die cultureel aanvaardbaar zijn voor een wereld die doordrongen is van grieks-romeinse filosofie. De goed geordende «bouwstenen» van de boodschap van Jezus Christus raken georganiseerd in een architectonische structuur die gewaardeerd kan worden door de Grieken en de Romeinen. Later zullen Tertullianus in het Westen en Origenes in het Oosten (in de derde eeuw) een systematische en indrukwekkende vorm geven aan geheel de «christelijke wijsheid».

Chronologie

 
top
Laatste update: