Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > Geordende naastenliefde

Geordende naastenliefde

Kenmerk van de christengemeenschap

Het beoefenen van de liefde als opdracht van de Kerk

Agape, fresco in de catacombe van Domitilla

20. De naastenliefde, verankerd in de liefde tot God, is op de eerste plaats een opdracht aan iedere individuele gelovige, maar ook aan de gezamenlijke kerkelijke gemeenschap, en wel op alle niveaus, van de lokale gemeenschap en de particuliere Kerk tot aan de universele Kerk toe. Ook de Kerk als gemeenschap moet de liefde in praktijk brengen. Daarom heeft de liefde ook behoefte aan organisatie als voorwaarde voor geordend, gemeenschappelijk dienen. Het bewustzijn van deze opdracht is in de Kerk vanaf het begin sterk aanwezig geweest: "Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk; ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte" (Hnd 2,44-45). Lucas vertelt ons dit in de context van een soort blauwdruk van de Kerk, waarbij hij tot de essentiële elementen rekent het vasthouden aan de "leer der apostelen" en aan het "gemeenschappelijk leven" (aan het "breken van het brood" en aan het "gebed" (vgl. Hnd 2,42). Het hier aanvankelijk niet verder omschreven element van "gemeenschap" (koinonia) wordt in de hierboven geciteerde verzen concreet gemaakt. De gemeenschap bestaat erin dat de gelovigen alles gemeenschappelijk hebben en dat er bij hen geen verschil tussen rijk en arm meer is (vgl. ook Hnd 4,32-37). Deze vorm van materiële gemeenschap kon natuurlijk geen stand houden toen de Kerk zich uitbreidde. Maar de kern, waar het om ging, bleef wel bestaan. In de gemeenschap van de gelovigen mag er geen armoede bestaan in de zin dat iemand verstoken is van de goederen die voor een menswaardig bestaan noodzakelijk zijn.

21. We zien dat een beslissende stap wordt genomen in de worsteling om dit kerkelijk grondbeginsel door te voeren met de keuze van zeven mannen, die de oorsprong van het diakenambt vormde (vgl. Hnd 6,5-6). Het ging hier om de ongelijkheid die ontstaan was tussen het hebreeuws en het Grieks sprekende deel van de vroege Kerk bij de dagelijkse zorg voor de weduwen. De apostelen, aan wie voor alles 'het gebed' (Eucharistie en liturgie) en de 'dienst van het woord' was opgedragen, voelden zich overbelast met de .zorg voor de ondersteuning.. Ze besloten dus zich te beperken tot hun voornaamste opdracht en voor de andere, in de Kerk evenzeer noodzakelijke opdracht de groep van zeven in te stellen, van wie overigens ook niet alleen maar de dienst van de verdeling zonder meer werd gevraagd. Het moesten mannen "vol van geest en wijsheid" zijn (vgl. Hnd 6,1-6). Dat betekent dat de maatschappelijke dienst die ze moesten verlenen, zeer concreet maar tegelijk ook geheel en al een geestelijke dienst was en dat hun ambt derhalve een geestelijk ambt was, waarin een voor de Kerk essentiële opdracht, namelijk de geordende naastenliefde, werd koinonia uitgevoerd. Door het instellen van deze groep van zeven was nu die 'diakonia' - de dienst van de gemeenschappelijk, ordelijk beoefende naastenliefde - in de basisstructuur van de Kerk zelf verankerd.

22. In de loop der tijd en met de voortschrijdende uitbreiding van de Kerk werd de liefdadigheid, de caritas, gevestigd als een deelgebied dat wezenlijk voor haar is, samen met de bediening van de sacramenten en de verkondiging van het Woord. Liefde bewijzen aan weduwen en wezen, aan gevangenen, aan zieken en alle soorten noodlijdenden, behoort evenzeer tot het wezen van de Kerk als de dienst van de sacramenten en de verkondiging van het evangelie. De Kerk kan de liefdadigheid evenmin verwaarlozen als de sacramenten en het Woord. De martelaar Justinus (+ omstreeks 155) schetst in de context van de zondagse viering van de christenen ook hun liefdadigheid, waarmee de Eucharistie als zodanig innig verbonden is. De welgestelden geven naargelang hun mogelijkheden, ieder zoveel hij wil. Met de opbrengst ondersteunt de bisschop dan de wezen, de weduwen en degenen die vanwege ziekte of om andere redenen in nood verkeren, evenals de gevangenen en de vreemdelingen (vgl. I Apologia, 67, in: PG 6, 429).  De grote christelijke schrijver Tertullianus (+ na 220) meldt dat de zorg van de christenen voor allerlei soorten noodlijdenden de verbazing van de heidenen wekt. (Vgl. Apologeticum 39, 7, in: PG 1, 468) En als Ignatius van Antiochië (+ rond 117) de Kerk van Rome de "voorzitter van het liefdesverbond" (verbond van agape) (Ep. ad Rom., Inscr., in: PG 5, 801) noemt, kan men wel met zekerheid aannemen dat hij met deze aanduiding in zekere zin ook haar concrete liefdadigheid tot uitdrukking wilde brengen.

23. In deze context mag een verwijzing naar de wettelijke structuren wat betreft de liefdadigheid in de jonge Kerk nuttig zijn. Rond het midden van de vierde eeuw krijgt in Egypte de zogenaamde 'diaconie' vorm: een instelling in ieder monnikenklooster, die verantwoordelijk is voor alle steunverlening - de caritas. Uit dit eerste begin ontwikkelt zich in Egypte tot aan de zesde eeuw een vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid, waaraan de staat zelfs een deel van het koren voor openbare uitdeling toevertrouwt. In Egypte heeft uiteindelijk niet alleen elk klooster maar ook ieder bisdom zijn diaconie - een instelling die zich dan zowel in het Oosten als in het Westen uitbreidt. Paus Gregorius de Grote (+ 604) vermeldt de diaconie in Napels. Wat betreft Rome zijn er schriftelijke bewijzen voor diaconieën vanaf de zevende en de achtste eeuw. Maar vanzelfsprekend behoorde de steunverlening aan armen en noodlijdenden, volgens de principes voor het christelijk leven ontwikkeld in de Handelingen der Apostelen, ook eerder al en vanaf het begin wezenlijk bij de Kerk van Rome. Deze opdracht wordt levendig tot uitdrukking gebracht in de figuur van de diaken Laurentius (+ 258). De dramatische beschrijving van zijn martelaarschap was reeds aan de heilige Ambrosius (+ 397) bekend en toont ons in essentie het authentieke beeld van de heilige. Hem werd als verantwoordelijke voor de Romeinse armenzorg na de arrestatie van zijn medebroeders en van de paus nog wat tijd gelaten om de schatten van de Kerk bij elkaar te zamelen met het doel ze aan de wereldlijke overheden te overhandigen. Laurentius verdeelde de beschikbare middelen onder de armen, en stelde dezen aan de machthebbers voor als de ware schat van de Kerk (vgl. Ambrosius, De officis ministrorum, II, 28, 140, in: PL 16, 141). Hoe men ook over de historische juistheid van zulke details denkt - Laurentius is als groot voorbeeld van de kerkelijke liefde in het geheugen van de Kerk aanwezig gebleven.

24. Een verwijzing naar de figuur van keizer Julianus de Afvallige (+ 363) kan ook nog eens aantonen hoe wezenlijk de georganiseerde en in praktijk gebrachte naastenliefde voor de jonge Kerk was. Julianus had als zesjarig kind de moord op zijn vader, zijn broer en andere familieleden door de paleisgarde meegemaakt en hij schreef deze brute daad - terecht of ten onrechte - toe aan keizer Constans, die zich uitgaf voor een uitmuntend christen. Daarmee had het christelijk geloof eens en voor al voor hem afgedaan. Als keizer besloot hij het heidendom, de oude Romeinse godsdienst, in ere te herstellen, maar tegelijk te hervormen, zodat die werkelijk de dragende kracht van het rijk zou kunnen worden. Daarvoor ontleende hij veel aan het christendom. Hij stelde een hiërarchie van metropolieten en priesters in. De priesters moesten de liefde tot God en tot de naaste bevorderen. In één van zijn brieven (vgl. Ep. 83, in: J. Bidez, L'Empereur Julien, OEuvres complètes, Paris 1960 2, t. I, 2a, 145) dat het enige van het christendom waarvan hij onder de indruk kwam, de liefdadigheid van de Kerk was. En daarom was het voor zijn nieuwe heidendom van het allergrootste belang dat er naast het systeem van de kerkelijke liefdadigheid een soortgelijke activiteit van zijn godsdienst zou komen. De "Galileeërs", zo zei hij, hadden op die manier hun populariteit verworven. Men moest hen nadoen en zelfs overtreffen. Op deze wijze bevestigde de keizer dus dat het beoefenen van de naastenliefde, de caritas, een onmiskenbaar kenmerk van de christelijke gemeenschap, de Kerk, was.

Uit: Paus Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas est,  20-24.

Chronologie

 
top
Laatste update: