Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > Hoe leefden zij?

Hoe leefden de eerste christenen?

Leven van heiligheid

"Zij onderhouden nauwgezet de geboden van God door heilig en rechtvaardig te leven, zoals de Heer God ze heeft opgedragen; ze zeggen dank 's ochtends en 's middags, voor alle voedsel en drank en voor elk ander goed... ". (Aristides, 2e eeuw, Apologia)

Colosseum

"Dat zijn, o keizer, hun wetten. Wat zij willen ontvangen van God, dat vragen zij, en zo gaan zij door deze wereld tot het einde der tijden, want God heeft alles aan hen onderworpen. Zij zijn Hem dus dankbaar, want voor hen is het hele universum en de schepping tot stand gekomen. Werkelijk, deze mensen hebben de waarheid gevonden". (Aristides, 2e eeuw, Apologia)

Overgave aan de anderen

De vriend

"Ze helpen wie hen beledigen, zodat ze weer hun vrienden worden; ze doen goed aan hun vijanden. Ze aanbidden geen vreemde goden; ze zijn vriendelijk, goed, zedig, oprecht en ze beminnen elkaar; ze verachten de weduwe niet; ze redden de wees; wie heeft, geeft zonder er iets voor terug te verwachten, aan wie niets heeft. Als ze vreemdelingen zien nemen ze deze op in huis en zijn daar blij mee. Ze herkennen hun broeders in hen, want zo noemen ze hen die dat niet zijn naar het lichaam maar naar de geest.

Als er een arme sterft en ze horen daarvan dan dragen ze bij naar kunnen aan zijn begrafenis; als ze horen van vervolgden of gevangenen of veroordeelden omwille van de naam van Christus dan leggen ze hun aalmoezen bijeen en sturen dat wat deze nodig hebben en, indien mogelijk, bevrijden ze hen. Als een slaaf of een behoeftige hulp nodig heeft, vasten ze twee of drie dagen, het eten dat ze voorbereid hadden sturen ze hen in de veronderstelling dat ook zij moeten genieten, want ook zij zijn geroepen tot de heerlijkheid." (Aristides, 2e eeuw, Apologia)

Burgers van de aarde en de hemel

"want wij hebben hier geen blijvende stad, maar zijn op zoek naar de stad van de toekomst." (Hebr 13, 14)

"Ze bewonen het vaderland als vreemdelingen. Ze vervullen getrouw hun burgerplichten, maar worden behandeld als vreemdelingen. Elk buitenland is voor hen hun vaderland en elk vaderland is buitenland.

Via Appia

Ze trouwen zoals iedereen, krijgen kinderen maar laten de pasgeborenen niet in de steek. Ze delen hun tafel, maar niet hun bed. Ze leven in het vlees, maar niet naar het vlees. Ze bewonen de aarde, maar zijn burgers van de hemel. Ze gehoorzamen 's lands wetten, maar met hun leven gaan ze verder dan de wet. Ze houden van allen en worden door allen vervolgd. Ze zijn onbekend, maar allen veroordelen ze. Ze worden gedood, maar blijven leven. Ze zijn arm, maar maken velen rijk. Ze hebben niets, maar van alles een overvloed. Ze worden geminacht, maar daarin vinden zij voor God de heerlijkheid. Men lastert hen, maar zij getuigen van hun rechtvaardigheid. Ze worden bedolven onder laster en zij zegenen. Ze worden mishandeld en ze behandelen allen met liefde. Ze doen goed en worden bestraft als booswichten. Hoewel men ze straft, blijven zij er rustig onder, alsof in plaats van de dood ze het leven ontvangen. Zij worden door de joden vervolgd als een buitenlands volk. Ze worden door de heidenen vervolgd, maar niet een die hen haat weet te vertellen waarom”. (Onbekende auteur uit de 2e-3e eeuw, Brief aan Diognetus)

"De christenen bewaren in hun hart de wetten van God en ze leven daarnaar in de hoop op het toekomstig leven. Daarom plegen zij geen overspel noch ontucht, ze leggen geen vals getuigenis af; ze leggen de hand niet op wat hen in bewaring is gegeven, ze verlangen niet naar wat hen niet toebehoort; ze eren vader en moeder, doen goed aan de naaste; en -als het rechters zijn- oordelen ze rechtvaardig. Ze aanbidden geen afgoden met mensen-vorm. Alles wat zij niet willen dat anderen hen doen, dat doen zij hen niet. Ze eten geen vlees dat aan de afgoden is geofferd want die zijn besmet. Hun dochters zijn zuiver en maagdelijk, en ontvluchten de protitutie; de mannen onthouden zich van elke buitenechtelijke relatie en van alle onzuiverheid. En zo zijn ook hun vrouwen zuiver, in de hoop op de grote beloning in de andere wereld…" (Aristides, Apologia, 2e eeuw)

Eucharistie

In een van de eerste christelijke teksten legt de heilige Justinus uit hoe men in de vroegste tijden de eucharistie vierde.

"Op de dag die men dag van de zon noemt komen allen bij elkaar op één plaats die wonen in de stad of op het platteland.

Men leest uit de gedachtenis van de Apostelen en de geschriften van de Profeten.

Als de voorlezer is gedaan, neemt hij die voorgaat het woord om aan te zetten en aan te sporen om dergelijke schone dingen na te volgen.

Eucharistie

Vervolgens staan we op en we bidden voor onszelf... en voor alle anderen, waar ze zich ook mogen bevinden, opdat wij rechtvaardig mogen zijn in ons leven en handelen, en dat we trouw mogen zijn aan de geboden om de eeuwige redding te verkrijgen.

Vervolgens brengt men degene die voorgaat brood en een beker wijn met water gemengd.

Die voorgaat neemt ze aan en brengt de Vader van het heelal eer en glorie, door de naam van de Zoon en de heilige Geest, en dankt Hem lang omdat we deze gaven waardig bevonden zijn.

Als hij die voorgaat de dankzegging heeft geëindigd en het volk 'amen' heeft geantwoord, verdelen zij die wij diakens noemen onder alle aanwezigen het 'geëucharistiseerde' brood en de wijn." (H. Justinus, Brief aan keizer Antoninus Pius, jaar 155)

"Het is niemand toegestaan aan de Eucharistie deel te nemen, als hij niet geloofd dat de dingen die wij leren waar zijn en zich niet heeft gereinigd in het bad dat de vergeving van de zonden brengt en de hergeboorte, en niet leeft zoals Christus het ons geleerd heeft.

Want wij nemen dit voedsel niet tot ons als waren zij gewoon brood of gewone drank, maar gelijk Christus onze Verlosser zich tot vlees en bloed heeft gemaakt om onze redding, zo hebben we ook geleerd dat het voedsel waarover het dankgebed werd uitgesproken, dat de woorden van Jezus bevat en waarmee ons bloed en ons lichaam zich voeden, precies het vlees en het bloed van deze Jezus is die mens werd.

De apostelen vertellen ons namelijk in hun verhandelingen die Evangelies worden genoemd, dat het hun zo werd opgedragen toen Jezus, terwijl brood nam dankte en zei: “Doet dit tot Mijn gedachtenis. Dit is mijn lichaam”. En daarna nam Hij op dezelfde wijze de kelk in zijn handen, dankte en zei “Dit is mijn bloed”, en gaf het alleen aan hen. Vanaf dat moment gaan wij door ons deze en andere dingen in herinnering te brengen. En zij die iets bezitten schieten anderen te hulp die dat niet hebben en we blijven verenigd. En altijd als we onze gaven aanbieden prijzen we de Schepper van het al door zijn Zoon Jezus Christus en de heilige Geest”. (H. Justinus, Brief aan keizer Antoninus Pius, jaar 155)

Christelijke dimensie van de arbeid

De eerste christenen waren zich ter dege bewust van het getuigenis van Christus met hun arbeidzaam leven. omdat Hij beschouwd werd als timmerman en zó verrichtte Hij zijn vakwerk al levend onder de mensen en toonde daarmee de tekens van rechtvaardigheid, en wat het betekent om te werken". (Justinus, Dialoog met Triphon)

Detail Ara Pacis, Rome

Door aldus de christelijke boodschap te projecteren op de arbeidstructuren, verkrijgt zelfs het geringste werk een nieuwe dimensie in Christus (vgl. Ef 6, 7). De bovennatuurlijke dimensie van werk zal tot een goddelijke uitdaging worden die veel verder reikt dan de sociale beperkingen, maar dan zonder geweld of rebellie. De arbeid had voor de eerste christenen waarde als onderscheidend teken tussen de ware gelovige en de valse broeder, en als een fijnzinnige wijze om de naastenliefde te beleven zonder enige broeder tot last te zijn (vgl. Tes 5, 11). (vgl. Encyclopedie GER, Cristianos, Primeros II, Espiritualidad)

Aan de andere kant mogen we niet vergeten dat de eerste christenen ondergedompeld waren in een wereld waarin de arbeid met minachting werd bekeken. "En zoals de arbeid het leven van de slaaf bepaalde, dook het bekende onderscheid op tussen slaafse arbeid en vrije arbeid op. Met het eerste werd de arbeid in eigenlijke zin bedoeld, terwijl met het tweede dat hele spectrum van bezigheden dat behalve de cultuur, ook de hobby en de kunst omvatte." (J. Mullor, La Nueva Cristiandad, Madrid 1966, blz. 215).

Chronologie

 
top
Laatste update: