Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > Leven van de vroege Kerk

Leven van de vroege Kerk

De christenen vormden plaatselijke gemeenschappen -kerken- onder de pastorale hoede van een bisschop. De bisschop van Rome -opvolger van de apostel Petrus- oefende het primaatschap uit over alle kerken. De Eucharistie vormde het centrum van christelijk leven. De verwerping van het gnosticisme vormt de grote overwinning van de vroege christendom.

Inleiding

Sint Paulus, beeld in Sint Paulus-buiten-de-muren

De uitbreiding van het Christendom in de oude wereld paste geheel in de structuren en de levenswijzen die eigen waren aan de romeinse maatschappij. Nadat we de geleidelijke verwezenlijking hebben gezien van het universele pricipe van gelijkheid onder de christenen, en de relaties tussen kerk en heidense keizerrijk, kunnen we nu de belangrijkste aspecten uiteenzetten van de interne leven van de christen-gemeenschappen: hun sociale samenstelling, pastoraal bestuur, de leer, de discipline, de liturgische cultus, etc.

Het klassieke Rome stimuleerde overal bewust het stadsleven: gemeenten en kolonies rezen overal in grote getale op. Urbanisatie stond in het keizerrijk gelijk aan romanisatie. Het Christendom groeide in deze historische context, en de steden vormden de plaatsen voor de eerste christengemeenschappen, hier werden lokale kerken gesticht. De christelijke gemeenschappen bevonden zich in een enigzins vijandige, heidense omgeving die echter de inwendige cohesie en solidariteit ten goede kwam. Maar deze kerken vormden geen losgeslagen en geïsoleerde kernen: de gemeenschap en onderlinge verbondenheid was concreet  en allen hadden een levendig besef deel uit te maken van de zelfde universele kerk, de enige kerk door Jezus Christus gesticht.

Hiërarchie en eenheid binnen de primitieve Kerk

Vele kerken uit de eerste eeuw werden gesticht door de Apostelen, en zo lang zij in leven waren, bleven deze onder hun gezag, en werden zij geleid door een «college» van presbyters voor wat het liturgische leven en de discipline betrof. Dit type van bestuur kan men in het bijzonder waarnemen in de Paulijnse gemeenschappen, die gesticht zijn door de Apostel van de heidenen. Maar in de mate dat de Apostelen verdwenen, vestigde zich overal een lokaal monarchisch episcopaat, dat zijn intrede al gedaan had vanaf het eerste moment in andere particuliere kerken. De bisschop vormde het hoofd van de kerk, als herder van de gelovigen, en als opvolger van de apostelen bezat hij de volheid van het priesterschap en het nodige gezag om de gemeenschap te leiden.

De sleutel tot de eenheid van deze verspreide kerken die hen verenigde tot een universele kerk, was de instelling van het Romeins primaatschap. Christus, de stichter van de Kerk -zoals we hierboven al hebben opgemerkt- koos de apostel Petrus als solide rots waarop de Kerk gebouwd kon worden. Maar het primaatschap dat Christus aan Petrus gaf was op geen enkele wijze een vluchtige en bijkomstige instelling, bedoeld om slechts te duren zolang als de apostel zou leven. Het was een blijvende instelling, een voorschot op de eeuwigheid van de Kerk en geldig tot aan het einde der tijden. 

Petrus was de eerste bisschop van Rome, en zijn opvolgers op de romeinse troon waren tevens opvolgers in deze belofte van het primaatschap dat de Kerk zijn hiërarchische vorm heeft gegeven. Zó heeft Jezus Christus ze gewild. De Kerk van Rome was daarom -en is voor alle tijden- het middelpunt van de eenheid van de universele Kerk.

De uitoefening van het primaatschap

Sint Petrus, beeld op Sint-Pieterplein

De uitoefening van het romeins primaatschap is logischerwijze in de loop der eeuwen beïnvloed geweest door historische omstandigheden. In tijden van vervolging of bemoeilijkte communicatie was de uitoefening ervan minder eenvoudig dan op de gunstige momenten. De geschiedenis laat echter wel zien dat vanaf het eerste moment zowel de erkenning door de andere kerken van de voorrang van de kerk van Rome, als het bewustzijn van de bisschoppen van Rome van hun primaatschap over de universele Kerk.

Aan het begin van de tweede eeuw schreef heilige Ignatius, bisschop van Antiochië, dat de romeinse kerk de kerk is «die aan het hoofd gesteld is van de naastenliefde». Hij schrijft haar zo het recht toe van de universeel kerkelijke suprematie. Voor de heilige Ireneüs van Lyon in zijn tractaat Tegen de ketterijen (185 n.Chr.), bezat de kerk van Rome een bijzondere waardigheid en bood zij een veilig criterium in de kennis van de ware leer van het Geloof.

Van dit besef dat de bisschoppen van Rome bezaten van hun primaatschap over de universele Kerk bezitten we een getuigenis dat dateert uit de eerste eeuw. Naar aanleiding van een ernstig intern probleem dat gerezen was binnen de christelijke gemeenschap van Korinthe, trad paus Clemens I met gezag op. De brief die de paus schreef bevat voorschriften over wat gedaan moet worden en de opdracht deze ten uitvoer te brengen. De brief vormt een klaarblijkelijk bewijs van zijn gezag als primaat, terwijl de respectvolle en volgzame ontvangst van de pauselijke missive door de kerk van Korinthe niet minder betekenisvol is.

Bekeringsproces

De christenen worden niet geboren, maar gemaakt, schreef Tertullianus aan het einde van de tweede eeuw. Deze woorden kunnen onder andere duiden op het feit dat toen het overgrote deel van de gelovigen niet bestond uit kinderen van christelijke ouders, zoals dat vanaf de vierde eeuw het geval was. De christenen kwamen voort uit het heidendom, en naderden tot de Kerk als gevolg van een bekering tot het geloof van Jezus Christus. Het Doopsel -sacrament dat inlijft bij de Kerk- vormde toen de bekroning van een lange weg van christelijke initiatie.

Dit proces dat begon met de bekering, vervolgde met het catechumenaat, een proeftijd en een tijd van catechetisch onderricht dat in zijn gereguleerde wijze zijn beslag kreeg aan het einde van de tweede eeuw. Het liturgische leven van de christenen had zijn centrum in het eucharistisch Offer, dat tenminste op de zondag werd opgedragen hetzij in het huis van christenen, plaats van een ecclesia domestica, hetzij in een cultusplaats die vanaf de derde eeuw begonnen te ontstaan.

De culturele diversiteit onder de christenen

De oude christelijke gemeenschappen werden gevormd door mensen van uiteenlopend pluimage, zonder onderscheid naar stand of staat. Vanaf de apostolische tijd stond de Kerk open voor joden en heidenen, armen en rijken, vrijen en horigen. Zeker, de meerderheid van de christenen van de eerste eeuwen bestond uit eenvoudige mensen, en een intellectuele heiden die het niet hoog op had met het Christendom, Celsus, nam de wevers, schoenmakers, wasvrouwen en andere personen zonder cultuur op de hak, zij die het Evangelie verkondigden in elke omgeving.

Maar het staat onomstotelijk vast dat vanaf de eerste eeuw ook personen uit de Romeinse aristocratie het Christendom omarmden. Dit nam zelfs zulke vormen aan, dat twee eeuwen later, een van de vervolgingsedicten van keizer Valerianus in het bijzonder op de senatoren, ridders en keizerlijke ambtenaren die christen geworden waren, was gericht.

Structuur van de vroeg-christelijke gemeenschappen

De interne structuur van de christelijke gemeenschappen was hiërarchisch. De bisschop -hoofd van de lokale kerk- werd terzijde gestaan door de clerus die in zijn hoogste graden -in de orde van priester en diaken- net zoals het bisschopsambt van goddelijke instelling waren. De lagere clerus, die specifieke kerkelijke taken kreeg toebedeeld, verscheen eveneens in de loop van deze eeuwen. De lekengelovigen die het volk van God uitmaakten bestonden hoofdzakelijk uit gewone christenen, maar er waren er onder hen die zich in het één of ander onderscheidden.

Zo waren er in de apostolische periode talrijke charismatici, christenen die ten dienste van de Kerk over buitengewone gaven van de heilige Geest beschikten. De charismatici vervulden een belangrijke rol in de primitieve Kerk, maar vormden een verschijnsel van voorbijgaande aard dat tenslotte geheel verdween in de eerste eeuw van de christelijke jaartelling. Zolang de vervolgingen voortduurden, genoten de geloofsgetuigen een buitengewoon prestige; zij werden zo genoemd omdat zij van hun geloof «getuigden» als martelaren, hoewel zij soms hun gevangenschap en martelingen overleefden.

Maar we zouden nog een andere groepen christenen moeten noemen, wier leven of dienstwerk hen een bijzondere plaats verschafte in de schoot van de kerken: de weduwen die vanaf apostolische tijden een «orde» vormden en het dienstwerk met vrouwen verzorgden; de asceten en de maagden die het celibaat omarmden omwille van het Rijk der Hemelen en die -in bewoordingen van de heilige Cyprianus- het glansrijkste deel van Christus' kudde vormden.

Apologie van het primitieve Christendom

De eerste christenen ondergingen een zware externe beproeving in de vervolgingen. Intern moest de Kerk weerstand bieden aan een beproeving die niet minder belangrijk was: de verdediging van de waarheid tegenover ideologische stromingen die indruisden tegen de fundamentele waarheden van het christelijke geloof. De oude ketterijen -zo werden deze ideeënstromingen genoemd- kunnen in drie groepen worden verdeeld. Aan een zijde bestonden er de joods-christelijke ketterijen, waar de goddelijkheid van Jezus Christus werd ontkend en de verlossende waarde van Zijn Dood. Voor deze ketterijen bestond de messiaanse zending van Christus uit de voltooiing van het Jodendom door de volmaakte gehoorzaamheid aan de Wet.

Beeld van Constantijn

Een tweede groep van ketterijen die pas later verscheen, wordt gekenmerkt door een fanatiek morele strengheid, dat werd aangemoedigd door het geloof in het op handen zijnde einde van de wereld. In de tweede eeuw was de meest bekende van deze ketterijen, het Montanisme, en tot het begin van de vierde eeuw in het Latijnse deel van Afrika is het strenge extremisme nog steeds een belangrijk deel van het Donatisme.

De grootste bedreiging echter die de christelijke kerk te weerstaan kreeg in de tijd van de martelaren, was zonder twijfel de gnostische ketterij. Het gnosticisme was een grote ideologische stroming met een neiging naar religieus syncretisme die zeer in de mode was in de laatste eeuwen van de Oudheid. Het gnosticisme, dat de vorm aannam van een intellectuele school, pretendeerde een hogere wijsheid te zijn die slechts binnen het bereik lag van enkele «ingewijden». Ten opzichte van het Christendom trachtte het gnosticisme de geloofswaarheden te vertekenen door de gnostische waarheden voor te stellen als de hoogste uitdrukking van de christelijke traditie. Een uitdrukking die Christus slechts had voorbehouden aan zijn intimi. De bekendste vertegenwoordiger van het christelijke gnosticisme was Marcion. De Kerk reageerde stellig afwijzend en de apostolische Vaders wezen op de absolute onverenigbaarheid van het Christendom met het gnosticisme.

Artikel gepubliceerd in primeroscristianos.com; vertaling WV.

Chronologie

 
top
Laatste update: