Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > Uitbreiding van het Christendom

Uitbreiding van het Christendom

De stuwende krachten achter de uitbreiding van het Christendom waren de apostelen.

De apostelen

Zij waren daarmee gehoorzaam aan Christus, die hen opdroeg het Evangelie te verkondigen onder alle volkeren.

Maar hun werk was zeker niet het enige dat de verbreiding van het Christendom tot stand bracht. In veruit de meerderheid van de gevallen waren het de nederige en onbekende personen -ambtenaren, handelaren, zeelui, soldaten, slaven- die de eerstelingen van het Evangelie uitdroegen.

Op het moment dat de Kerk haar vrijheid verwierf in de vierde eeuw, had het Christendom diep wortel geschoten in vele delen van het Nabije-Oosten, zoals Syrië, Asia Minor en Armenië; en in het Westen in Rome en omgeving en in Latijn-sprekend Afrika. De aanwezigheid van het Evangelie was ook opmerkelijk in het Nijldal en diverse regio's van Italië, Spanje en Gallië. (José Orlandis, Korte geschiedenis van de Katholieke Kerk, Amsterdam 2010, blz. 15)

De oorsprong van het Christendom

Het Christendom is de godsdienst die gesticht is door Jezus Christus, de Zoon van God die mens geworden is. De christenen -volgelingen van Christus- maken door het doopsel deel uit van de zichtbare gemeenschap waar redding te vinden is, die de naam heeft gekregen van Kerk.

Wat verstaan we onder Christendom

Jezus voor Pontius Pilatus: Ecce homo

We verstaan onder Christendom de godsdienst die door Jezus Christus gesticht is, de mensgeworden Zoon van God. De persoon en het onderricht van Jezus vormen de basis waarop het christelijk geloof steunt. De christenen beschouwen Jezus Christus als hun Verlosser en Meester: zij erkennen Hem als hun God en Heer, en volgen zijn leer.

Op een exact moment in de tijd en op een concrete plaats op aarde werd de Zoon van God mens, en stapte binnen in de menselijke geschiedenis. De plaats waar Hij geboren werd heet Bethlehem in Juda. Op dat moment heerste Herodes de Grote in Judea, was Quirinus gouverneur van Syrië onder de keizer van Rome Caesar Augustus (vgl. Mt 2,1; Lc 2,1-2). Het leven van Christus onder de mensen voltrok zich tot een ander, even concreet moment in de menselijke geschiedenis: het lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus vonden plaats vanaf de 14e van de maand Nisan van het jaar 30 in de christelijke jaartelling. Cajafas was toen hogepriester, in Judea regeerde de procurator Pontius Pilatus, en in Rome heerste keizer Tiberius.

Jezus Christus kennen

Jezus van Nazareth duidde zich aan als de Christus, gezalfde, de Messias die werd voorzegd door de profeten en vol verlangen verwacht door het volk van Israël. In Caesarea van Filippi waar de meningen over zijn Persoon uiteen liepen, vroeg de Heer aan de apostelen: «En gij, wie zegt gij dat Ik ben?» Het antwoord van Petrus luidde duidelijk: «Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God». Jezus veranderde niet alleen niets aan deze woorden, maar Hij bevestigde ze nog eens ondubbelzinnig: «Niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar Mijn Vader die in de hemel is» (vgl. Mt 16,13-17). In de avond voor Zijn Lijden, voor de hogepriesters en heel het Sanhedrin, verklaarde Jezus onomwonden dat Hij de Zoon van God was, de Messias. Op de plechtige vraag van de hogepriester, de hoogste religieuze autoriteit van Israël: «Zijt gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?» antwoordde Jezus: «Ja, dat ben Ik» (Mc 16,61-62).

Heilige Johannes

«Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet» (Joh 1,11). Deze woorden uit het eerste hoofdstuk van het evangelie van Johannes kondigen het drama aan van de verwerping van de Redder door het uitverkoren Volk. Dat volk hield er toen een politiek-nationale opvatting op na omtrent de verwachte Messias die men beschouwde als een wereldlijk leider die het land zou bevrijden van het juk der romeinse bezetter, en het koninkrijk van Israël zou herstellen in volle glorie. Jezus beantwoordde niet aan dit beeld, want Zijn rijk was niet van deze wereld (vgl. Joh 18,36). Daarom werd Hij niet erkend, maar verworpen door de oudsten van het volk en veroodeeld om te sterven aan het kruis.

De wonderen die Jezus verrichtte tijdens Zijn openbaar leven vormen het bewijs van zijn Messias-zijn en bevestigen de leer die Hij verkondigde. Deze redenen, tezamen met Zijn unieke persoonlijkheid, waren oorzaak van de trouw van Zijn aanhang en in eerste plaats van de twaalf Apostelen. Deze trouw was in het begin nog onvolmaakt, omdat Zijn aanhang eveneens veel van de vooroordelen deelden van hun tijdgenoten. Het betrof mensen met een gedachtegang die niet doordrong tot de waarachtige aard van de verlossende zending van Jezus. Zo begrijpen we ook beter de enorme onthutsing die bij hen ontstond door het lijden en de dood van hun Meester.

De Verrijzenis van Jezus Christus is het centrale geloofspunt van het christendom, en vormt het doorslaggevende bewijs van de waarheid van haar leer. «Wanneer Christus niet is verrezen —schreef heilige Paulus, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof eveneens» (1Kor 15,14). De realiteit van de Verrijzenis —die zover afstaat van de verwachtingen van de Apostelen en de discipelen— werd hen opgedrongen met het onomstootbare argument van de evidentie: maar Christus is verrezen als eersteling van hen die ontslapen zijn (1Kor 15,20; vgl. Lc 24,27-44; Joh 20,24-28).

Vanaf dat moment stellen de Apostelen zichzelf voor als de getuigen van de verrezen Jezus Christus (vgl. Hnd 2,22; 3,15), ze verkondigen dat over de hele wereld en bezegelen hun getuigenis met hun eigen bloed. De leerlingen van Jezus Christus erkenden zijn goddelijkheid, geloofden in de verlossende vruchtbaarheid van Zijn dood, en ontvingen de volheid van de Openbaring die door de Meester was doorgegeven en vastgelegd in de Schrift en de Overlevering.

Het ontstaan van de Kerk

Pinksteren

Maar Jezus Christus stichtte niet alleen een godsdienst —het Christendom—, maar ook een Kerk. De Kerk —het nieuwe Volk van God— werd gevestigd als een zichtbare heilsgemeenschap, waartoe men gaat behoren door het doopsel. De Kerk is gefundeerd op de Apostel Petrus, aan wie Christus het primaatschap beloofde —«en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen» (Mt 16,18)— en Hij bevestigde hem daarin na de Verrijzenis: «wijd mijn lammeren», «hoed mijn schapen» (vgl. Joh 21,15-17). De Kerk van Jezus Christus zal voortbestaan tot het einde van de tijd, zolang de wereld bestaat en er mensen op aarde zijn: «en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen» (Mt 16,18). De Kerk werd op aarde gevestigd op de dag van Pinksteren, en vanaf dat moment begint haar geschiedenis.

Bron: José Orlandis, Korte geschiedenis van de Katholieke Kerk, Amsterdam 2010, blz. 11.

De eerste uitbreiding

De christenen werden vervolgd door het Sanhedrin, en maakten zich al vrij snel los van de Synagoge. Vanaf het begin was het Christendom universeel, open voor de heidenen, en deze werden verklaard vrij te zijn van de Mozaïsche Wet.

Stap een

Jezus voor Kajafas

De leerling staat niet boven zijn meester (Mt 10,24), had Jezus zijn leerlingen al gewaarschuwd toen Hij nog met hen verbleef op aarde. Het Sanhedrin verklaaarde Jezus schuldig aan het zich uitgeven voor de Messias, de Zoon van God. De vijandigheid van de autoriteiten in Israël die Christus hadden veroordeeld, moest zich nu wel richten op de apostelen die de Verrezen Christus verkondigden en Zijn leer bevestigden met grote wonderen die verricht werden voor het gehele volk.

Het Sanhedrin poogde de Apostelen het zwijgen op te leggen, maar Petrus antwoordde aan de hogepriester dat «men moet God meer gehoorzamen dan de mensen» (Hnd 5,29). De apostelen werden gegeseld, maar noch de bedreigingen, noch het geweld konden hen tot zwijgen brengen. En zij gingen naar buiten «verheugd dat ze waardig bevonden waren om smaad te lijden omwille van de Naam» van Jezus. De dood van de diaken heilige Stefanus, die werd gestenigd, luidde het begin in van een grote vervolging tegen de volgelingen van Jezus. De scheiding tussen het christendom en het jodendom werd steeds dieper en duidelijker.

De christelijke universele benadering bleek steeds duidelijker, en contrasteerde met het nationaal karakter van de joodse godsdienst. De volgelingen van Jezus die uit Jeruzalem waren gevlucht, bereikten Antiochië in Syrië, één van de grote metropolen van het Oosten. Sommige van hen waren hellenisten, en hadden een meer open mentaliteit dan de joden uit Palestina. Zij begonnen daar het Evangelie te verkondigen aan de heidenen. In de grote stad Antiochië bleek de universele benadering van de Kerk, en het was precies daar dat de volgelingen van Christus voor het eerst christenen genoemd werden.

Universaliteit van het Christendom

Deze universaliteit van de Verlossing en van Jezus Christus' Kerk werd op plechtige wijze bevestigd in een wonderlijke goddelijke ingreep. De apostel Petrus was er hoofdrolspeler en getuige van. Aan Petrus werd de taak gegeven om voor de heidenen de deuren van de Kerk te openen. Het vormde een bevestiging van zijn primaatschap. De buitengewone tekenen waarmee de bekering in Caesarea gepaard ging van de honderman Cornelius en zijn familie, waren voor Petrus van doorslaggevend belang: «Nu besef ik pas goed, -waren zijn woorden- dat er bij God geen aanzien des persoons bestaat, maar dat uit welk volk ook ieder die Hem vreest en het goede doet, Hem welgevallig is» (Hnd 10,34-35).

Petrus

Het bericht dat Petrus het doopsel had toegediend aan onbesneden heidenen, zorgde voor opschudding in Jeruzalem. Pas nadat de apostel in alle details verslag had uitgebracht over het gebeurde, veranderden de joods-christenen van gedachte en werd de verouderde vooringenomenheid overwonnen. Ze begonnen te begrijpen dat de Verlossing door Christus universeel was, en dat de Kerk open staat voor allen: «Toen zij dat gehoord hadden, waren zij gerustgesteld en verheerlijkten God met de woorden: 'Zo heeft God dan ook de heidenen de bekering ten leven geschonken'» (Hnd 11,18).

Voor de definitieve overwinning moest echter nog een obstakel worden genomen. De toelating van de heidenen tot de Kerk was een nieuwheid die voor veel joods-christenen maar moeilijk te bevatten was, krampachtig vasthoudend een hun oude tradities. Deze christenen van joodse komaf meenden dat de bekeerde heidenen om gered te worden tenminste besneden moesten worden en de voorschriften van Mozes' Wet in acht moesten nemen. Deze eisen veronrustten de de christenen uit het heidendom zeer. Maar de kwestie had wel als voordeel dat openlijk gesproken moest worden over de betrekking van de Oude tot de Nieuwe Wet, en de onafhankelijkheid vast te stellen van de Kerk met betrekking tot de Synagoge.

Het concilie van Jeruzalem

Teneinde deze fundamentele problemen op te lossen, kwam in het jaar 49 het zogenaamde concilie van Jeruzalem bijeen. Paulus en Barnabas spraken namens de kerken uit het heidendom en getuigden van de grote wondertekenen die God door hen onder de heidenen gedaan had. De apostel Petrus sprak wederom met gezag ter verdediging van de vrijheid van de christenen met betrekking tot de wettische plichten van de joden.

Het «concilie» kwam overeen, op voorstel van Jacobus de bisschop van Jeruzalem, de bekeerde heidenen geen onnodige lasten op te leggen. Het zou volstaan als zij enige eenvoudige voorschriften in acht zouden nemen: zich onthouden van ontucht en, uit respect voor de Oude Wet, zich onthouden van wat verstikt is en van bloed, en van wat door de afgoden besmet is. (Hnd 15,1-33) Op deze wijze werd op definitieve wijze het probleem van de verhouding tussen Christendom en de Mozaïsche Wet opgelost. De joods-christenen bleven nog enige tijd bestaan in Palestina maar als een onbeduidende minderheid, binnen de christelijke Kerk die zich steeds verder uitbreidde in de heidense wereld.

De motoren achter de verbreiding

De grote motoren achter de uitbreiding van het Christendom waren de Apostelen, die gehoorzaam waren aan de opdracht van Christus om het Evangelie te verkondigen aan alle volkeren. Het is niet eenvoudig om het missiewerk van de Apostelen te kennen. De historische bronnen ontbreken hiervoor. We weten dat de apostel Petrus Palestina verliet en zich vestigde te Antiochië, waar al een belangrijke christengemeenschap bestond. Het is mogelijk dat hij vervolgens een tijd in Korinthe verbleef. Zijn laatste verblijf was in echter Rome, de hoofdstad van het keizerrijk, alwaar hij de eerste bisschop werd. In Rome onderging hij het martelaarschap tijdens de vervolging die keizer Nero verordonneerde (64 n.Chr.).

De apostel Johannes verbleef lang in Palestina, ging vervolgens naar Ephese waar hij eveneens lang verbleef. Daarom beschouwen de kerken uit Asia hem als hun eigen apostel. Oude overleveringen spreken van apostolische activiteit van Jacobus de Meerdere in Spanje, de apostel Thomas in India, de evangelist Marcus in Alexandrië, etc.

Bronnen voor verbreiding

De bekering van Sint Paulus

De berichten over de apostolische actie van Paulus zijn veel uitgebreider dankzij het boek Handelingen der apostelen, en het uitgebreide corpus van brieven van Sint Paulus. Sint Paulus is de apostel van de heidenen bij uitstek, en zijn missiereizen brachten het Evangelie door heel Asia Minor en Griekenland. Daar stichtte en leidde hij talloze kerken. In Jeruzalem werd hij gevangen genomen, en zijn lange gevangenschap bood hem de kans getuigenis af te leggen van Christus voor het Sanhedrin, de Romeinse bestuurders en voor koning Agrippa II. Vervolgens werd hij naar Rome geleid, en door de rechtbank van Caesar in vrijheid gesteld. Mogelijkerwijs maakte hij van daaruit een missiereis naar Spanje, een plan dat al lang tevoren was opgevat. Nadat hij voor een tweede maal gevangen was genomen, werd Paulus een tweede maal voorgeleid, werd veroordeeld en onderging de marteldood in de keizerlijke stad.

Maar het beeld van de uitbreiding van het Christendom in de antieke wereld werd niet uitsluitend bepaald door het werk van de apostelen. In veruit het leeuwendeel van de gevallen waren het de eenvoudige en onbekende mensen -ambtenaren, handelaren, militairen, slaven- die de eerste vruchten van het Evangelie verder droegen. Met een enkele voorbehoud, kunnen we zeggen dat het doordringen van het Christendom eerder doordrong in de urbane gebieden dan op het platteland. Toen de tijd aanbrak voor vrijheid van de Kerk in de vierde eeuw, had het Christendom diep wortel geschoten in de diverse regionen van het Nabije Oosten, zoals Syrië, Asia Minor en Armenië, en in het Westen, in Rome en zijn wijde omgeving en in het Latijnse deel van Afrika. De aanwezigheid van het Evangelie was tevens aanzienlijk in het Nijldal en in diverse gebieden van Italië, Spanje en Gallië.

Het heidense rijk en de vervolgingen

Inleiding: het Romeinse Rijk en het Christendom

Forum Romanum

Het ontstaan en de eerste groei van het Christendom moeten geplaatst worden in het culturele en politieke kader van het Romeinse keizerrijk. Het is waar dat gedurende de eerste drie eeuwen heidens Rome de christenen vervolgde, maar het zou een vergissing zijn te denken dat het keizerrijk alleen een negatieve factor zou vormen voor de verspreiding van het Evangelie. De eenheid die onder invloed van Rome was bereikt in de Grieks-Romeinse wereld zorgde ook voor een wijde geografische ruimte waar vrede en eenheid heersten. De rust die heerste tot diep in de derde eeuw en de goede verbindingen die bestonden tussen de uithoeken van het rijk zorgden ervoor dat ideeën zich snel konden verspreiden. We kunnen wel zeggen dat de Romeinse wegen en de zeeroutes geschikte kanalen waren voor het Goede Nieuws in heel het Mediterraanse bassin.

De eerste bekeerlingen

De taalkundige banden —op basis van eerst het Grieks, en later van het Grieks en het Latijn— vergemakkelijkte de communicatie en de verstandhouding. Het geestelijk klimaat dat werd beheerst door de crisis in het heidendom dat voorouders vereerde en door de verbreiding van het verlangen naar oprechte godsdienstigheid onder een geestelijke elite, bevorderde de goede ontvangst van het Evangelie. Al deze factoren droegen bij aan de verbreiding van het Christendom.

Via Appia

Maar het christelijk geloof aanhangen bracht ook grote moeilijkheden met zich mee. De christenen die uit het Jodendom voortkwamen moesten met de gemeenschap breken van waaruit zij voortkwamen. Zij werden vanaf dat moment beschouwd als overlopers en verraders. Maar de moeilijkheden voor hen die uit het heidendom voortkwamen waren niet minder, vooral als zij uit de hogere sociale klassen stamden.

Het christelijk geloof noopte hen te breken met een reeks gebruiken die traditioneel waren in de cultus jegens Rome en de keizer. Deze gebruiken hadden een heidens-religieuze betekenis, maar werden ook beschouwd als de uitdrukking van de uitoefening van het burgerschap in het openbaar leven. Ze waren getuigenis van de trouw aan het keizerrijk. Vandaar dat tegen de christenen zovaak de beschuldiging van "atheïsme" werd geuit; vandaar de dreiging vervolgd en gedood te zullen worden die hun boven het hoofd hing gedurende eeuwen. Vandaar dat de christelijke bekering een risicovol en moedig besluit vormde, ook vanuit een menselijk opzicht.

Door welke motieven werd men dan gedreven om de confrontatie aan te gaan met het heidense keizerrijk? De christelijke godsdienst bevorderde het respect en de gehoorzaamheid jegens het legitieme gezag. «Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt» (vgl. Mt 22,15-21), was toch het principe dat door Christus zelf was geformuleerd. De Apostelen ontwikkelden deze leer: «Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagdragers die boven hem staan. Want er is geen gezag dan van God.» (Rom 13,1), schreef Paulus aan de gelovigen van Rome; «vreest God, eert de keizer» (1Pt 2,17), spoorde Petrus de leerlingen aan. Het keizerrijk was in religieus opzicht liberaal en tolereerde met gemak de nieuwe cultussen en buitenlandse godheden. De botsing en de breuk ontstonden omdat Rome van haar Romeinse burgers begon te eisen dat wat zij niet konden geven: godsdienstig eerbetoon dat zij slechts aan God konden brengen.

De vervolging door Nero

De ontwikkelingen van de eerste vier eeuwen
De vervolging onder Decius
De vervolging onder Diocletianus

De Kerk in het romeins-christelijke rijk

Inleiding
Het edict van Galerius
Het edict van Constantijn
Een nieuwe uitbreiding
De reorganisatie van de Kerk
Kerstening van de Rijken

Chronologie

 
top
Laatste update: