Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Eerste christenen > Wat getuigen niet-christenen over het bestaan van Jezus van Nazaret

Wat getuigen niet-christenen over het bestaan van Jezus van Nazaret

Flavius Josephus

Jezus werd niet belangrijk genoeg geacht door de geschiedschrijvers van zijn tijd, hoewel Flavius Josephus en Tacitus in hun boeken naar Christus verwijzen.

Leed Hij onder Pontius Pilatus?

Geen serieuze historicus twijfelt aan het bestaan van Jezus van Nazaret. De historicus Michael Grant van Cambridge University was gespecialiseerd in antieke culturen, en hij schreeef dat er over Jezus voor ons meer historische documentatie bestaat dan over welke beroemde historische heidense persoon dan ook.[1] Ook James H. Charlesworth schreef: "Jezus bestond waarachtig en van hem weten we meer dan over welke andere palestijnse Jood ook voor 70 n.Chr."[2] E.P. Sanders in The Historical Figure of Jesus schrijft: "We weten veel over Jezus, veel meer dan over Johannes de Doper, Teudas, Judas de Galileeër en andere personen wier namen we kennen uit ongeveer dezelfde tijd en dezelfde plaats."[3] F.F. Bruce is de auteur van The New Testament Documents: Are they Reliable? waarin hij beweert dat "voor de onpartijdige historicus is de historiciteit van Christus even klaarblijkelijk als de historiciteit van Julius Caesar".[4]

"De kruisdood is het best gedocumenteerde historische gegeven uit de biografie van Jezus" meent Santiago Guijarro in een interview voor ABC. Hij is hoogleraar Nieuwe Testament van de Theologische faculteit van de pauselijke Universiteit van Salamanca.

Jezus werd niet belangrijk geacht voor de geschiedschrijvers van zijn tijd. Als hij verschijnt in de heidense en joodse literatuur dan was dat onder invloed van de christenen die hem volgden. "Geen van de niet-christelijke geschiedschrijvers heeft zich voorgenomen een geschiedenis te schrijven van het begin van het Christendom. En om deze reden noemen zij alleen de gebeurtenissen die enige relevantie hadden voor het relaas dat zij schreven. Toch is het belang van de specifieke gegevens zeer groot." Dat schrijft Guijarro in zijn El relato pre-marcano de la Pasión y la historia del cristianismo (Het relaas pre-Marcus van de Passie en de geschiedenis van het Christendom).

De Noord-Amerikaanse historicus John P. Meier in zijn A Marginal Jew: Rethinking the Historical Jesus vroeg zich af "hoe in gesprekken met de pers en schrijvers (...) dit bijna zonder uitzondering de eerste vraag was: Maar hoe kunnen we aantonen dat hij bestond? Kan ik de brede vraag herformuleren in een veel concretere: Zijn er bewijzen niet aan de Bijbel ontleend uit de eerste eeuw voor het bestaan van Jezus? Dan geloof ik dat ik dank zij Josefa (Flavius Josephus) kan antwoorden: ja".

Flavius Josephus (93 n.Chr.)

Deze Romein-joodse geschiedschrijver (37-110) is de auteur van een tekst Testimonium flavianum, onderdeel van zijn Antiquitates Judaicae (uit 91-94), waarin hij verwijst naar Jezus. Hoewel de tekst door een ander is bijgewerkt (zie de zinnen hieronder tussen haakjes), beschouwt men deze tekst toch oorspronkelijk. «In die tijd trad Jezus op, een wijs man (als we hem mens mogen noemen); want hij verrichtte wonderlijke dingen, meester van mensen die graag de waarheid ontvangen. Em hij trok veel joden aan en velen van Grikese komaf. (Hij was de Messias) En toen Pilatus ten gevolge van een beschuldiging door de voornaamsten onder ons hem veroordeelde tot het kruis, door hen die hem eerst beminden, lieten ze dat toch niet achterwege. (Want hij verscheen hen op de derde dag opnieuw in leven: de profeten hadden dit aangekondigd en nog duizend andere heerlijke dingen over hem) En tot op deze dag is het volk van christenen, zo genoemd omwille van hem, nog niet verdwenen».

Ook in Antiquitates 20,9,1 wordt verwezen naar «Jezus, die Messias wordt genoemd» waar verslag wordt gedaan van de veroordeling van Jacobus om gestenigd te worden.

Tacitus (116 n.Chr.)

Deze Romeinse geschiedschrijver (56-118) noemt «Christus» on zijn Annales die dateren uit het jaar 116. Hij spreekt over Nero en de brand die woedde in Rome in het jaar 64. Tacitus vermeldt daar dat de verdenking bestond dat de keizer de brand zelf had laten aansteken en dat «om het gerucht te smoren, Nero de groep die door het volk "chrestianos" worden genoemd, een groep die gehaat wordt om zijn afzichtelijke wandaden, tot zondebok had gemaakt en hen onderworp aan de meest geraffineerde martelingen. Hun naam komt van Christus, die onder het bewind van Tiberius werd geëxecuteerd door de procurator Pontius Pilatus. Hoewel voor een moment onderdrukt, dook het schadelijke bijgeloof opnieuw op, niet slechts in Judea -waar het kwaad de kop op had gestoken-, maar zelfs in de stad Rome waar alle soorten van kwalijke praktijken uit de hele wereld samenkomen en tot bloei komen».

De historici beschouwen Flavius Josephus en Tacitus als de vroege onafhankelijke getuigen van Jezus met zekere consistentie, hoewel er andere bronnen zijn die gegevens leveren over de eerste christenen. Voorbeelden hiervan volgen hieronder.

Plinius de jonge (112 n.Chr.)

Plinius was een neef van Plinius de Oude, en proconsul in Bithynia van 111 tot 113. We bezitten tien boeken met brieven van hem. In brief 96 van boek 10 schriijft hij aan keizer Trajanus om hem te vragen wat te doen met de christenen, waartoe zou hij hen veroordelen als zij werden aangegeven. In deze brief citeert hij driemaal Christus en geeft aan dat de christenen zeiden dat hun schuld erin bestond in het bijeenkomen op een dag voor zonsopgang en een hymne te zingen tot Christus «als aan een god»: «Ik besloot degenen te laten gaan die ontkenden christen te zijn geweest als zij met mij de formue herhaalden waarin de goden worden aangeroepen en een wierrookoffer brachten voor uw beeltenis dat voor dat doel en op mijn bevel was gehaald naar de rechtbank samen met de beeltenissen van de goden, en Christus afzwoeren ("Christo male dicere"). Anderen wier namen me door informanten werden gegeven, zeiden eerst dat ze christenen waren, later ontkenden ze dat. Ze zeiden dat ze sinds twee of drie jaar geen christenen meer waren, anderen sinds meer dan twintig jaar. Allen aanbaden uw beeltenis en die van de goden zoals de anderen, en zwoeren Christus af. Ze hielden het er op dat hun schuld slechts bestond uit het volgende: regelmatig voor zonsondergang op bepaalde dag bijeengekomen te zijn, en een hymne gezongen te hebben tot Christus als tot een god. Carmenque Christo quasi deo dicere secum invicem. Ze beleden geen enkele misdaad te hebben begaan, maar zich te hoeden voor diefstal, geweld en overspel, geen enkele belofte te schenden, en geen tegoeden achter te houden als die opgeëist worden.»

Trajanus antwoordde Plinius dat hij geen christenen meer zou opsporen, maar dat als zij beschuldigd werden, hij hen zou straffen tenzij ze hun belijdenis herriepen.

Suetonius (120 n.Chr.)

De Romeinse geschiedschrijver Suetonius (70-140 n.Chr.) refereert in zijn boek De Vita Caesarum aan de levens van de eerste twaalf Romeinse keizers. In boek V noemt hij een zeker «Chrestus» in verband met de verbanning uit Rome van de joden, op bevel van keizer Claudius: «Hij verdreef de joden uit Rome die voortdurend bezig waren onrust te zaaien op instigatie van een zekere Chrestus».

De meeste historici zijn het er nu over eens dat de Chrestus dezelfde is als Christus omdat deze verwisseling voor de hand ligt onder de heidenen, en omdat er geen enkel getuigenis bestaat over een onbekende opruier met de naam Chrestus.

In de Handelingen van de Apostelen wordt naar deze uitbanning verwezen: «Daar ontmoette hij [Paulus] Aquila, [...], die kort tevoren met zijn vrouw Priscilla uit Italië was gekomen, omdat Claudius had verordend dat alle Joden Rome moesten verlaten» (Hnd 18,2).

Lucianus (165 n.Chr.)

De Griekse schrijver Lucianus van Samosata bespot de christenen in zijn satirisch werk De dood van Pelegrinus: "Zij beschouwden Pelegrinus een god, een wetgever en zij kozen hem tot hun beschermheer..., slechts de man uit Palestina stond boven hem, de man die gekruisigd werd omdat hji een nieuwe godsdienst had geïntroduceerd in het leven van de mensen (...). Zijn eerste wetgever overtuigde hun dat ze onsterfelijk waren en dat zij allen broeders zouden zijn als zij de Griekse goden loochenden en er zouden betonen aan die gekruisigde sofist, door naar diens wetten te leven."

Mara Bar Sarapion (einde eerste eeuw)

Van Mara Ben Serapion bezitten we een brief aan zijn zoon in de Syrische taal waarin hij verwijst naar Jezus, hoewel hij Hem niet bij naam noemt: «Welk voordeel verkregen de Atheners met de dood van Socrates, een wandaad waarvoor zij met hongersnood en pest zouden moeten betalen? Of de bewoners van Samos met de verbranding van Pitagoras, als hun land spoedig met zand zou zijn bedekt? Of de Hebreeën met de moord op hun wijze koning als hun rijk hun spoedig zou worden ontrukt? Een rechtvaardige god nam wraak voor deze drie wijzen. De Atheners stierven van honger, zij van Samos werden door de zee verzwolgen; de Hebreeën kwamen om of werden van hun land verdreven om elders verspreid te leven. Socrates stierf niet door Plato; Pitagoros ook niet door het standbeeld van Hera; en de wijze koning niet door de nieuwe wetten die door hem werden afgekondigd».

Celsus (175 n.Chr.)

In zijn boek «Ware leer» valt Celsus de christenen aan. Hoewel het boek zelf niet bewaard is, bezitten we er vele citaten uit dankzij de weerlegging ervan die Origenes ongeveer zeventig jaar later schreef.

«Opgehangen» in de Talmoed

De grote joodse geleerde Joseph Klausner schreef aan het begin van de twintigste eeuw dat de weinige verwijzingen in de Talmoed naar Jezus van weinig historische waarde zijn. Het tractaat Sanhedrin 43a noemt Yeshu: «Tevoren verkondigde een heraut. Daarom, slechts (onmiddelijk) tevoren, maar niet enige tijd daarna. Zo was het inderdaad aangekondigd: "Op de avond voor Pasen werd Jezus gekruisigd (opgehangen)". Veertig dagen eerder had de heraut aangekondigd: "Hij zal worden gestenigd want hij heeft tovernarij bedreven en Israël verleid tot geloofsafval. Wie iets te zeggen heeft tot zijn verdediging, hij kome en spreke". Maar omdat niemand tot zijn verdeging sprak, kruisigde men hem op de avond voor het paasfeest».
«Zeer waarschijnlijk beperkt de talmoedische tekst zich tot een reactie op de evangelische overlevering», meent John P. Meier in A Marginal Jew.

M. Arrizabalaga, vertaald door WV.

[1] "If we apply to the New Testament, as we should, the same sort of criteria as we should apply to otherancient writings containing historical material, we can no more reject Jesus’ existence than we can reject the existence of a mass of pagan personages whose reality as historical figures is never questioned." Michael Grant, Jesus: An Historian’s Review of the Gospels, London: Rigel, 2004, 199-200. 

[2] James H. Charlesworth, The Historical Jesus: An Essential Guide, Nashville: Abingdon Press, 2008.

[3] E.P. Sanders, The Historical Figure of Jesus, Penguin Books 1993.

[4] "The historicity of Christ is as axiomatic for an unbiased historian as the historicity of Julius Caesar", F. F. Bruce, The New Testament Documents: Are they Reliable?, 1943.

Chronologie

 
top
Laatste update: