Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Hier en nu > De devotie tot de Maagd Maria en de eerste christenen

De devotie tot de Maagd Maria en de eerste christenen

De Maagd Maria wordt geëerd en vereerd als Moeder van God vanaf het vroegste begin van het Christendom.

De Maagd Maria, Luca della Robbia

De eerste christenen, tot wie wij vaak onze toevlucht moeten nemen als ons voorbeeld, betoonden een liefdevolle eredienst aan de Maagd. In de schilderingen van de eerste drie eeuwen van het Christendom, die te vinden zijn in de romeinse catacomben, zien we Haar weergegeven met het goddelijk Kind op de arm. Nooit volgen we ze voldoende na in deze devotie tot de allerheiligste Maagd!

H. Jozefmaria Escrivá

En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig (Lc 1, 48)

Uit de mariologische onderzoeken blijkt dat de Maagd Maria geëerd en vereerd is als Moeder van God en onze Moeder vanaf het vroegste begin van het Christendom.

Eerste afbeelding Maagd Maria

Eerste afbeelding van de Maagd Maria (Catacomben van de heilige Priscilla)

In de eerste drie eeuwen vond de verering van Maria hoofdzakelijk een plaats in de cultus aan Haar Zoon. Een kerkvader vatte het gevoelen van deze vroege verering als volgt samen met deze woorden die op Maria betrekking hebben: «De profeten verkondigden u en de apostelen vierden u met de hoogste lofprijzingen».

Van de eerste eeuwen zijn ons slechts indirecte getuigenissen overgeleverd van een Maria-verering. Hieronder bevinden zich enkele archeologische resten uit de catacomben. Deze tonen de eredienst en de verering die de eerste christenen koesterden voor Maria. Onder deze resten moeten de schilderingen worden genoemd in de catacomben van de heilige Priscilla: hier wordt de Maagd getoond met aureool en met het Kind aan de borst en een profeet (waarschijnlijk Jesajas) ter zijde. De andere twee schilderingen (fresco's) tonen de Aankondiging en de Aanbidding der Wijzen. Al deze fresco's zijn van eind tweede eeuw. In de catacomben van Sint Petrus en Marcellinus is een fresco te vinden uit de derde/vierde eeuw dat Maria voorstelt temidden van Sint Petrus en Sint Paulus, met de handen uitgestrekt in een biddende houding (de 'orante').

Een geweldig blijk van mariale cultus is het gebed Sub tuum praesidium (Onder uw bescherming) dat dateert uit de derde of vierde eeuw, waarin men een beroep doet op de voorspraak van Maria.

Het staat vast dat ten tijde van paus Sylvester op het forum, daar waar tevoren een Vesta tempel stond, een kerk werd gebouwd met de titel Santa Maria Antiqua. Evenzo wijdde bisschop Alexander van Alexandrië een kerk ter ere van de Moeder van God. In de Geboorte-kerk in Palestina, die dateert uit de tijd van Constantijn, eerde men de Heer maar werd ook Maria geëerd in de wonderbaarlijke menswording van Christus.

Wat de eucharistische liturgie betreft, is de tekst waarmee Maria wordt geëerd in het eucharistisch gebed daterend van rond het jaar 225. Op de feesten van de Heer -Menswording, Geboorte, Driekoningen etc.- werd ook Zijn Moeder geëerd. Men geeft wel eens aan dat rond het jaar 300 het eerste Mariafeest werd ingesteld, dat nu eens «Gedachtenis van de Moeder Gods», dan weer «Feest van de allerheiligste Maagd», of «Feest van de glorievolle Moeder» werd genoemd.

 

Het getuigenis van de Kerkvaders

Madonna met Kind tussen heiligen
Madonna met Kind, met heilige Pudenziana en Praxedes (ca. 1080)
(Basilica Santa Pudenziana, Rome)

De eerste Kerkvader die over Maria schreef is Ignatius van Antiochië († ca. 107). Hij verdedigde de mensheid van Christus tegen de Docetisten, en schreef dat Hij behoort tot het geslacht van David omdat Hij werkelijk geboren is uit de Maagd Maria. Hij werd ontvangen door en was geboren uit de heilige Maria; deze ontvangenis was maagdelijk, en deze maagdelijkheid behoort tot deze mysteries die verborgen zijn in de stilte van God.

H. Justinus († ca. 167) lijkt bij zijn beschouwing te verwijzen naar Gen. 3,15 en is verwant aan de antithetische parallel Eva-Maria. In de Dialoog met Triphon benadrukt Justinus de waarheid omtrent de menselijke natuur van Jezus, en daarmee het waarachtige moederschap van Maria in relatie tot Jezus, en net zoals H. Ignatius, benadrukt hij de waarheid omtrent de maagdelijke ontvangenis. Zo voegt ook hij de parallel Eva-Maria in in zijn theologisch discours. Het gaat hier om een parallel die dient als leidraad in de rijkste en mooiste mariale theologie van de Kerkvaders.

Ireneüs van Lyon († ca. 202) schrijft ten tijde van de grote polemiek contra de gnostici en docetisten, en benadrukt de lichamelijke werkelijkheid van Jezus, en de waarheid omtrent Jezus' geboorte uit Maria's schoot. Hij maakt bovendien van het goddelijk moederschap een van de fundamenten van zijn christologie. De menselijke natuur die de Zoon van God heeft aangenomen in de schoot van Maria maakt het mogelijk dat de verlosssende dood van Jezus het hele menselijke geslacht omvat. Bovendien toont hij de moederlijke rol van Maria met betrekking tot de nieuwe Adam, en haar medewerking met de Verlosser.

In Noord-Afrika schreef Tertullianus († ca. 222) in zijn controverse met Marcion, dat Maria de moeder van Christus is omdat Hij is mensgeworden in haar maagdelijke schoot.

In de derde eeuw begint men de titel Theotókos (Moeder van God) te gebruiken. Origenes († ca. 254) schrijft er het eerste over. In de vorm van een gebed verschijnt de titel voor het eerst in het Sub tuum praesidium dat –zoals eerder reeds gezegd– het oudst bekende Maria-gebed is. Reeds in de vierde eeuw gebruikt men de titel in de geloofsbelijdenis van Alexander van Alexandrië tegen Arrius. Vanaf dit moment begint de titel zich algemeente versprijden, en vele Kerkvaders wijden zich aan uitleg van de theologische dimensie van deze waarheid: St. Efrem, St. Athanasius, St. Basilius, St. Gregorius van Nazianze, St. Gregorius van Nissa, St. Ambrosius, St. Augustinus, Proclos van Constantinopel, etc.. De titel Moeder van God werd zo tot meest gebezigde term om de heilige Maria aan te duiden. 

De waarheid omtrent het goddelijk moederschap werd als dogma vastgelegd in het Concilie van Ephese in het jaar 431.

De Annunctiatie dooe Antonello da Messina (1474-75)

En na de dood van de Verlosser? Maria is de koningin van de Apostelen; Zij bevindt zich in het Cenakel en is bij hun als zij Hem ontvangen die Cristus had beloofd: de Parakleet. Zij helpt hun bij hun twijfels, zij schiet te hulp de obstakels te overwinnen die de menselijke zwakte opwerpt: Ze is gids, licht en bemoediging voor die eerste christenen.

H. Jozefmaria Escrivá, uit een preek.

 

De voorrechten of privileges van Maria

De beschrijving van het begin van de devotie tot Maria zou onvolledig blijven als we niet nog een derde element zouden noemen: de vaste overtuiging van de uitzonderlijkheid van de persoon van de heilige Maria, een uitzonderlijkheid die deel uit maakt van haar mysterie. Deze buitengewoonheid wordt het beste samengevat als 'gehele heiligheid' die mariaal privilege genoemd kan worden. Het is een privilege dat gefundeerd is op de moederlijke betrekking van Maria met Christus en met het mysterie van de verlossing. Deze betrekking is geheel de hare en Zij is zo in staat alle nodige genaden te ontvangen om haar unieke en universele zending te volbrengen.

Deze privileges of voorrechten van Maria moeten niet worden opgevat als iets bijkomstig of overbodig, maar als iets noodzakelijk om de integriteit van het geloof te bewaren.

Ignatius, Justinus en Tertullianus spreken over de maagdelijkheid. Dat doet H. Ireneüs evenzo. In Egypte verdedigt Origenes de eeuwige maagdelijkheid van Maria. Hij beschouwt de Moeder van de Messias als model en hulp van de christenen. In de vierde eeuw verspreidt zich het begrip aeiparthenos —altijd maagd—, dat de H. Epiphanius introduceert in zijn geloofsbelijdenis en vervolgens het oecumenisch concilie van Constantinopel II overneemt in zijn dogmatische verklaring. 

Tezamen met de term maagdelijk, toegepast op Maria, begint de terminologie van Maria's gehele heiligheid opgang te doen en universeel gebezigd te worden. Hoewel men steeds de aanwezigheid van welke zonde dan ook in Maria heeft afgewezen, is men er vroeger vanuit gegaan dat er onvolmaaktheden in Haar konden bestaan. Dat vinden we bijvoorbeeld bij Ireneüs, Tertullianus, Origenes, Basilius, Johannes Chrysostomos, Efrem, en St. Cyrillus van Alexandrië. Ambrosius en Augustinus verwierpen deze mogelijkheid vanaf het begin. Na de dogmatische verklaring van het Concilie van Ephese (431) wordt de eretitel geheel heilig algemeen, en wordt Haar titel panagia (geheel heilig). In de zang 23 van het Akathistos zingt men dan ook: "de Heer maakte U geheel heilig en volmaakt."

Vanaf de vierde eeuw, en verbonden met de ontwikkeling van het goddelijk moederschap en de totale heiligheid van Maria, bloeien ook andere mariale toeschrijvingen op. Voorbeelden hiervan zijn de thema's rondom de Inslaping, de Tenhemelopneming, de totale afwezigheid van zonde (inclusief de erfzonde), of Haar rol als Middelares en Koningin. Hier moeten we in het bijzonder de Modestus van Jerusalem citeren, H. Andreas van Kreta, Germanus van Constantinopel en Johannes Damascenus als de Kerkvaders van het laatste uur die het meest in de materie van Maria's voorrechten zijn doorgedrongen.

Chronologie

 
top
Laatste update: