Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Hier en nu > Heilige Jozefmaria en de eerste christenen

Heilige Jozefmaria en de eerste christenen

Samenvatting van een artikel van Jerónimo Leal over de term "Eerste christenen" 

Jozefmaria Escrivá

Na een gedetailleerd historisch overzicht van de Kerkvaders en de theologie waarin de term 'eerste christenen' wordt gebruikt, besluit Jerónimo Leal dat de originaliteit van de heilige Jozefmaria steekt in de erkenning van hun levendige en actuele voorbeeld.

"De eerste christenen zijn niet een historisch feit -geeft Leal aan- maar ze vormen een realiteit die zich geestelijk in elke christen kan herhalen: het is voldoende zich geestelijk dichtbij Christus te weten. Maar deze originaliteit bestaat evenzeer met betrekking tot de andere geestelijke schrijvers; niet één -voor zover ik heb kunnen achterhalen- heeft in de eerste christenen een levend model gezien".

Belang van de term en van zijn inhoud

Prof. Jerónimo Leal

De uitdrukking "eerste christenen" komt in de gepubliceerde werken van heilige Jozefmaria aanzienlijk vaak voor. Zeker als we dat gebruik vergelijken met andere contemporaine geschriften, of zelfs recentere. Om een voorbeeld te noemen ter illustratie, de Catechismus van de Katholieke Kerk, die veel put uit de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie, gebruikt slechts één maal deze uitdrukking in de paragraaf 1329,2. Met de woorden 'breken van het brood' duidden de eerste christenen hun eucharistische bijeenkomsten aan. En in paragraaf 760,1 heet het dat de wereld met het oog op de Kerk werd geschapen. 

En als we een beetje verder terug blikken in de geschiedenis, en de werken onderzoeken van enkele grote spirituele schrijvers, dan wordt duidelijk dat ze deze term nooit gebruiken. Hij wordt nooit gebruikt door Johannes van het Kruis, nooit door Theresia van Jezus, en één enkele keer door Theresia van Lisieux om aan te geven dat zij hetzelfde martelaarschap verlangde dat de eerste christenen als genadegave ontvingen. 

Patristiek

Ik veronderstel dat het bekend is dat de term christenen voor het eerste verschijnt in de Handelingen der Apostelen, waarin verteld wordt dat de bewoners van Antiochië, waarschijnlijk heidenen, deze naam gaven aan de volgers van Christus. Het is deze naam die, hoewel gegeven door mensen die deze leer niet volgden, gebleven is om de leerlingen van Christus aan te duiden. Er bestonden ook andere namen, maar die hebben geen stand gehouden in de loop van de geschiedenis.

Ignatius van Antiochië is degene die ons het tweede getuigenis levert van het gebruik van deze naam, die logischerwijze daarmee nog geen technische term is. Het is Augustinus die de term als zodanig als eerste bezigt.

De term 'eerste christenen' wordt door de bisschop van Hippo bij drie gelegenheden gebruikt. Er moet direct een opmerking worden gemaakt over deze vergelijking die Augustinus maakt tussen eerste christenen en ons. Hij ziet een groot onderscheid tussen de christenen van de vijfde eeuw, zijn tijdgenoten, en de voorgaande periode die hij beschouwt als afgesloten en niet te herhalen in de huidige tijd. Augustinus beschouwt zich, hoewel wij dat wellicht anders bezien, niet meer tot de eerste christenen

Voor Augustinus zijn de eerste christenen de volgelingen van Jezus Christus, tijdgenoten van de Apostelen, mensen van alle komaf, de Apostelen uitgezonderd. De Apostelen behoren namelijk niet tot de groep van eerste christenen, maar staan apart. Augustinus vormt hiermee een bijzonder geval in de tijd van de kerkvaders, hij bijna de enige die preekt over de eerste christenen, en een referentiepunt voor auteurs na hem.

"De eerste christenen" in Jozefmaria

We zagen al dat heilige Jozefmaria zeer vaak deze uitdrukking gebruikte. Daar blijkt al wel uit hoe belangrijk hij hen vond. Onze uiteenzetting zal zich beperken tot de gepubliceerde werken, waarin de term zeventien maal voorkomt. Daarbij laat ik de synoniemen buiten beschouwing die ons op dit moment minder interesseren  (vgl. De Smidse 10, De Weg 469).

«Zoals ijverige kloosterlingen zich inspannen om te weten te komen hoe de eerste leden van hun orde of congregatie leefden, om hun gedrag hierop af te stemmen, zo moet jij, christen, proberen het leven te leren kennen en na te volgen van de leerlingen van Jezus, die met Petrus en Paulus en Johannes bevriend waren en bijna getuigen waren van de dood en de verrijzenis van de Meester» (De Weg, 925).

Het aantal keren dat de term voorkomt is maar een betrekkelijk gegeven, er zijn twee aspecten die minstens zo belangrijk zijn. Ten eerste: de term komt voor door het hele oeuvre, er is is geen boek waarin een referentie naar het thema niet voorkomt. Ten tweede, het belang dat aan het thema wordt toegekend, bijvoorbeeld in een interview in het tijdschrift Time in 1967: «Maar als je toch een vergelijking wilt maken dan kun je het Opus Dei, om het goed te begrijpen, het beste vergelijken met het leven van de eerste christenen. Ze leefden met een totale overgave volgens hun christelijke roeping. Ze zochten ernstig naar de volmaaktheid waartoe ze geroepen waren door het eenvoudige en verheven feit dat ze gedoopt waren. Uiterlijk onderscheidden ze zich in niets van de andere mensen. De leden van Opus Dei zijn normale mensen die normaal werk doen en in de wereld leven als gewone, christelijke burgers, die helemaal willen voldoen aan de eisen die het geloof aan hen stelt.» (Gesprekken met mgr. Escrivá, 24, 7).

In deze vergelijking wordt duidelijk zijn begrip van eerste christenen aangegeven, en ik denk dan ook dat deze tekst als basis moet worden aangemerkt voor hetgeen we verder nog zullen zien. De vergelijking van de eerste christenen in het werk van de stichter van het Opus Dei zijn talrijker als tijdgenoten van de Apostelen, zoals bijvoorbeeld in deze tekst: «Zoals reeds sint Paulus aan de eerste christenen leerde, bestaat er in de Kerk deze radicale en fundamentele eenheid: Quicumque enim in Christo baptizati estis, Christum induistis. Non est Judaeus, neque Graecus; non est servus, neque liber; non est masculus, neque femina (Gal 3, 26-28); er is geen verschil meer tussen Jood en Griek, tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw» (Gesprekken met mgr. Escrivá, 14, 2).

Desalniettemin ontbreken de teksten niet die de tijd tussen hen, de eerste christenen, en ons overbruggen: «Wat hebben de eerste christenen deze liefde, die de hoogtepunten van eenvoudige menselijke solidariteit en zachtheid van karakter buitensporig overstijgt, vurig in praktijk gebracht. Zij beminden elkaar onderling, met zoete kracht, vanuit het Hart van Christus. Een schrijver uit de tweede eeuw, Tertullianus, heeft ons het commentaar overgeleverd van de heidenen die, ontroerd bij het beschouwen van de houding van de gelovigen van toen, die vol bovennatuurlijke en menselijke aantrekkingskracht was, zeiden: “Ziet, hoe zij elkander liefhebben” (Tertullianus, Apologeticum, 39, 7 [PL 1, 471]).» (Vrienden van God, 225, 2).

Nu is het de beurt om de hoedanigheid van de eerste christenen te bestuderen. In het bijzonder vragen we ons af, of de eerste christenen slechts de gewone mensen betreffen, of ook de groep van de Twaalf. Zoals we al zagen in het interview in Time, zijn het gewone mensen die zich in niets onderscheiden van hun medeburgers. «Om in het voetspoor van Christus te treden hoeft de apostel van vandaag niets te hervormen en zich helemaal niet buiten de historische werkelijkheid te houden waarin hij leeft - Het is genoeg als hij doet zoals de eerste christenen, als hij zijn omgeving nieuw leven inblaast» (De Voor, 320).

Bij Augustinus waren de Apostelen uitgesloten. Heilige Jozefmaria sluit nooit expliciet de Apostelen uit, het lijkt er daarentegen op dat hij de algemene teneur niet volgt en dat het voorgestelde model niet exclusief van de Twaalf is en vele andere personen insluit die wel als "apostelen" hebben gehandeld zonder tot "de Apostelen" te hebben behoord. Dat zien we duidelijk in de volgende tekst: «Daarom is er voor de christelijke partners geen beter voorbeeld dan dat van de gezinnen uit de tijd van de apostelen. De hoofdman Cornelius bijvoorbeeld, die zich aan de wil van God onderwierp en in wiens huis de Kerk zich openstelde voor de heidenen (Hand. 10, 24-48). Of het voorbeeld van Aquila en Priscilla, die het christendom verspreidden in Korinte en Efese en die de heilige Paulus steunden bij zijn apostolaat (Hand. 18, 1-26). Of Tabitha die vol liefde zorgde voor de christenen in Joppe (Hand. 9, 36). Verder zoveel huizen van Joden en heidenen, Grieken en Romeinen, waarin de verkondiging van de eerste leerlingen van Christus zich verbreidde» (H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langskomt, 30, 4).

Daarom kunnen we over de eigenheid van het gebruik door heilige Jozefmaria zeggen dat hij geen nieuwe uitdrukking heeft geïntroduceerd, de uitdrukking bestond immers al sinds Augustinus zoals we gezien hebben, maar hij voegt er enkele nuances aan toe die de uitdrukking in zeker zin vernieuwen. Het gaat hier niet om een eenvoudige historische categorie, maar als historische categorie gaat ze een rol spelen in de theologische, spirituele reflectie. De karakteristiek die Jozefmaria toevoegt is het theologisch-spirituele begrip: het gaat niet om een verwijzing naar de historische situatie van de begintijden van het Christendom, noch om zo maar een goed voorbeeld ter navolging. Ze brengt ons inwendig dichterbij aan de eerste stappen van het leven der Kerk, en ze vereenzelvigt de persoonlijke historische situatie met een collectieve historische situatie. 

De originaliteit van de heilige Jozefmaria met betrekking tot heilige Augustinus steekt hem in de vaardigheid zich in deze levendige situatie te bevinden: de eerste christenen zijn niet iets dat tot het verleden behoorde, maar een situatie die zich geestelijk kan herhalen in het leven van welke christen dan ook. Het is voldoende zich in de geest Christus nabij te weten. Deze originaliteit bewaart haar waarde ook in relatie tot andere geestelijke auteurs; niet een -voor zover we hebben kunnen vaststellen- heeft in de eerste christenen een levend model gezien. 

«ik ben er zeker van dat je me, met dezelfde hevige verbazing als de eerste leerlingen bij het aanschouwen van de eerste wonderen die ze in naam van Christus met hun eigen handen hadden verricht, zult zeggen: “Wat hebben wij toch een invloed op deze omgeving!”» (De Weg, 376).

Daarom nemen we ons voor vanuit het historische blikveld, als persoonlijk doel en uitdaging voor de historici van de Oudheid, om het primitieve christendom te bestuderen -ik ben van mening dat daaraan veel meer aandacht moet worden geschonken- teneinde het leven van de eerste christenen grondig te leren kennen, en zo door te dringen in de onderrichtingen van de heilige Jozefmaria

Jerónimo Leal 

Docent Patrologie en Geschiedenis van de Oude Kerk, Faculteit Theologie van de pauselijke Universiteit van het Heilig Kruis.
Artikel gepubliceerd in nummer 16 van 
Annales Theologici, tijdschrift van de pauselijke Universiteit van het Heilig Kruis. De vertaling van WV

Chronologie

 
top
Laatste update: