Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Hier en nu > Over het feest van Driekoningen

Over het feest van Driekoningen

Al eeuwen lang viert de Kerk in het Westen, zoals in het Oosten op 6 januari de openbaring van God aan de wereld. Deze openbaring, in het  Grieks epi-faneia, is de eerste openbaring van de zoon van God die mens geworden is aan de heidense wereld. Ze wordt verhaald door de evangelist Matteüs (Mt 2,1-12). De passage die de profeet Micha citeert (Mi 5,1), is een van de vijf episoden die het zogenaamde kindheidsevangelie Matteüs vormen (hfst. 1 en 2). Het kindsheidsevangelie van Lucas noemt de openbaring niet.

Om het relaas correct te begrijpen en de theologische waarde ervan te vatten, is het nodig dat we duiden wat de betekenis is van dit citaat van Micha, wie de wijzen waren en welke ster hen geleidde naar de kribbe van het Kind.

De tekst van de profeet Micha

Het middelpunt van het relaas van de wijzen vormt het citaat van de profeet Micha. Matteüs schrijft dat de hogepriesters en schriftgeleerden die door Herodes worden geraadpleegd omtrent de plaats waar de koning geboren moet worden, geven hem dit ten antwoord: «In Betlehem in Judea. Want zo staat het geschreven bij de profeet: Betlehem, land van Juda, u bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leider voortkomen, die herder zal zijn van mijn volk Israël.» (Mt 2,5vv).

Drie koningen

De profetische passage is messiaans, voor de bedreigingen van Assyrië troost Micha zijn volk met de belofte van een toekomstige Bevrijder, een afstammeling van David. Uit de eenvoudige tekst blijkt nog niet dat het noodzakelijk was dat de Messias geboren zou moeten worden in Bethlehem; het zou genoeg zijn als Hij daar uit de buurt kwam, omwille van zijn afstamming van David.

De tekst van Micha in de mond van de schriftgeleerden en uit de pen van de evangelist toont ons twee dingen: voor de eersten moest de Messias feitelijk geboren worden in Bethlehem omm van David af te stammen, de tweede (de evangelist) toont dat Jezus aan de voorwaarde voldeed.

Wie waren deze wijzen?

De evangelist presenteert ons de bezooekers als volgt: «Toen ... kwamen er uit het Oosten magiërs aan in Jeruzalem.» We moeten rekening houden met de vertaling die we gebruiken, de huidige online Willibrordvertaling houdt het op magiërs, de vertaling van 1978 vertaalt met wijzen. Het Grieks zegt μαγοι.

Matteüs zegt niet hoeveel personen, wat hun naam is, noch waar ze precies vandaan komen. wat hun aantal betreft lopen archeologische monumenten sterk uiteen. Een fresco van het grafveld van HH. Petrus en Marcellinus in Rome toont twee wijzen. Een sarcofaag in het Lateraans Museum toont er drie. In de catacomben van H. Domitilla zijn het er vier. Op een vaas in het Museo Kircheriano zijn het er maar liefst acht. In de mondelingen overleveringen uit Syrië en Armenië zijn het er twaalf.

Main stream is echter toch het aantal van drie, wellicht beantwoord dat beter aan de drie gaven die zij aanbieden -goud, wierook en myrre- of omdat de wijzen ook de drie volkeren vertegenwoordigen: Sem, Cham en Jafet.

De namen die men hen geeft (Melchior, Caspar en Balthasar) zijn van relatief jonge datum. Zij verschijnen in een anoniem Italiaans manuscript uit de elfde eeuw, en wat eerder in een document uit Parijs van de zevende eeuw; daar zijn hun namen Bithisarea, Melichior en Guthaspa.

Bij andere auteurs en in andere regio's zijn hun namen totaal anders. Hun koningschap lijkt volstrekt zonder historisch fundament, het lijkt ingevoerd te zijn door een te letterlijke interpretatie van Psalm 72,10: «De koningen van Tarsis, van de eilanden, zij dragen geschenken aan; de koning van Saba, de koning van Seba, zij komen hun schatting betalen.» Nooit worden zij in de oude afbeeldingen van de christelijke kunst weergegeven met koninklijke attributen, maar met Frygische muts en gekleed als Persische edellieden.

Ook over hun komaf lopen de oude getuigenissen uiteen. Volgens sommige zijn zij uit Perzië, volgens andere uit Babilonië of Arabië, en ook uit streken die weinig oostelijk van Palestina liggen, als Egypte en Ethiopië. Toch beschikken we over een kostbaar archeologisch gegeven dat stamt uit de tijd van Constantijn, dat de traditie schraagt dat zij uit Perzië afkomstig zijn. Het gaat om een synode-brief van het concilie van Jeruzalem in het jaar 836. Deze brief verhaalt dat in het jaar 614 toen Perzische troepen van Cosroas II alle heiligdommen in Palestina vernietigden, zij de Constantijnse basiliek van de Geboorte te Bethlehem spaarden voor vernieling omdat het mozaïek op de façade de Aanbidding der Wijzen voorstelde, en de soldaten aan de kleding van deze Wijzen landgenoten meenden te herkennen.

De ster der Wijzen

De ster aan het firmament speelt in het evangelie van Matteüs een belangrijke rol. Deze ster werd in het Oosten gezien door de wijze magiërs, maar zij verloren hem uit het zicht en zagen hem niet eerder weer dan op de weg van Jeruzalem naar Bethlehem. Daar bewoog hij zich voor hen uit vanuit het Noorden richting Zuiden, om vervolgens stil te staan boven het huis waar de kribbe van het Kind zich bevond.

Ster

De wijzen meenden de ster te herkennen als de ster van Jezus («Want wij hebben zijn ster zien opkomen en wij zijn gekomen om Hem te huldigen», Mt 2,2). We moeten ervan uitgaan dat het hier niet om een natuurlijk verschijnsel gaat, want het lijkt dat de ster alleen zichtbaar was voor de Wijzen. Maar, er zijn ook hypothesen dat het toch om een natuurlijk, hoewel zeldzaam verschijnsel ging. Zie voor deze hypothesen volgend artikel.

Maar waarom begrepen zij dat het de ster van Jezus was, en waarom moesten ze hem volgen om Hem te kunnen aanbidden?
Het kan niet bevreemden dat vrome Perzen zich geïnteresseerd hebben voor de geschriften van het joodse volk en zij op een of andere wijze deel genomen hebben aan de verwachting van een Koning Messias. Zodra zich dus een wonderlijke verschijning van een ster voordoet, relateren zij deze direct met Hem. Zeker is dat God ze heeft aangezet zich op weg te begeven en naar Israël te reizen in afwachting van de komst van de Koning.

De viering van het feest van Driekoningen

Sinds lange tijden viert de Kerk -met uitzondering van de stad Rome en de Arikaanse provincies- op 6 januari de openbaring van God aan de wereld, later bekend als Epifanie. Al in de tweede eeuw vinden we referenties naar een feest van de doop van de Heer bij enkele gnostische sekten. De eerste getuigen uit meer orthodoxe hoek verschijnen in de tweede helft van de vierde eeuw.

De oorsprong van de viering van het feest van de Openbaring is moeilijk traceerbaar. De meest uiteenlopende hypothesen zijn hiertoe opgesteld. Er is zelfs een hypothese opgesteld, die stelt dat het feest een kerstening is van het heidense feest van de Rijzende Zon, een heidens feest, dat belangrijk was in het oostelijk deel van het keizerrijk. Al snel zou het Driekoningenfeest een drievoudige theologische inhoud krijgen: als openbaring aan de heidenen van God die mens geworden is (aanbidding door de wijze koningen), als openbaring van het goddelijk kindschap van Jezus (doop in de Jordaan), en als openbaring van de goddelijke kracht (wonderen op de bruiloft te Kana). In het Oosten is na de invoering van het feest van Jezus'Geboorte op 25 december, het karakter van Epifanie rondom de geboorte afgezwakt; de nadruk ligt nu meer op de Doop in de Jordaan.

In de Kerk van Rome ligt het zwaartepunt van de liturgische viering van Epifanie op de universaliteit van Gods heilsplan. Zo verwijzen de lezingen naar de roeping tot heil van de heidenen die al was aangekondigd door de profeten (Js 60,1-6) en volledig tot stand gekomen in Christus (Ef 3,2-3.5-6 en Mt 2,1-12). Dit zelfde perspectief valt ook op in de gebeden van Epifanie.

 

Gepubliceerd door primeroscristianos.com, vertaling wv.

Bibliografie 

  • J. ENCISO VIANA, La estrella de Jesús, in: Por los senderos de la Biblia, t. II, Madrid-Buenos Aires 1957, 155-160;
  • J. RACETTE, L’Évangile de l′Enfance selon S. Matthieu, «Sciences Ecclésiastiques» 9 (1957) 77-82;
  • S. MUÑOZ IGLESIAS, El género literario del Evangelio de la Infancia en S. Mateo, «Estudios Bíblicos» 17 (1958) 245-273, bijzonder 264-268;
  • IDEM, Venez, adorons-le, in: Assemblés du Seigneur, 13,31-44;
  • A. M. DENIS, L’adoration des Mages vue par Saint Matthieu, «Nouvelle Revue Théologique» 82 (1960) 32-39;
  • G. D. GORDINI, A. M. RAGGI, Magi, in: Bibl. Sanct. 8,494-528 (met bibl.).

Chronologie

 
top
Laatste update: