Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Martyrologium > Clemens van Alexandrië

Clemens van Alexandrië

Clemens van Alexandrië (Titus Flavius Clemens) is waarschijnlijk in Athene geboren rond halverwege de tweede eeuw.[1] Van Athene erfde hij die opvallende belangstelling voor de filosofie, die van hem een exponent maakt van de dialoog tussen geloof en rede in de christelijke traditie. In zijn jeugd kwam hij naar Alexandrië, de stad waar diverse culturen elkaar ontmoetten. Daar werd hij leerling van Pantenus, totdat hij hem rond 190 opvolgde in de leiding van de catechetische school. Tijdens de vervolging van 202-203 verliet hij Alexandrië, keizer Septimius Severus (193-211) liet de school namelijk sluiten. Clemens vluchtte naar Caesarea in Kappadocië, waar hij rond 215 gestorven is.

Clemens van Alexandrië

Clemens had vergelijkbare ideeën over geloof en rede als Justinus (ca. 100-ca. 165). Hij deed een beroep op wat mensen concludeerden over God door middel van de hen omgevende wereld. Gods bestaan kan men met behulp van de rede kennen. Clemens wilde het christelijk geloof aanvaardbaar maken voor intellectueel ontwikkelde mensen. Hij slaagde daar in, mede door zijn grote kennis van de Griekse literatuur, vooral van Homerus en Plato. Hij vergeleek de filosofie met de wet van Mozes. Zoals de wet van Mozes een leermeester was om tot Christus te komen, zo kon de filosofie de weg banen om tot Christus komen. De Grieken kenden de Joodse Wet immers niet, wel kenden ze “de onbekende God” (De apostel Paulus verwijst hier al naar als hij in Athene is, zie Hand. 17, 23). De filosofie mag volgens Clemens geen doel zijn op zichzelf, het doel is Christus.

Clemens bestreed met behulp van de Griekse filosofie de gnostische ketterij die een esoterische gnosis[2] voorstond, en verdedigde het christelijk geloof als de ware gnosis. De gnosis is bij Clemens het tot intellectuele rijpheid gekomen geloof. Het is een der wegen - niet de enige weg - tot christelijke volmaaktheid. Een christen kan ook volmaakt zijn als vrome, als deugdzame of als martelaar. Volmaakt in alle opzichten tegelijk is slechts een mens geweest: Hij die, om onzentwil mens geworden, de mensheidsidee volkomen heeft vervuld[3]. Hieruit blijkt dat Clemens een evenwichtige Bijbelse visie vertoont ten aanzien van de rol van het verstand, hij is niet uit op vergoddelijking van het verstand, maar verafschuwt het verstand niet, wat zou leiden tot een irrationeel christendom.

De belangrijkste werken die ons van hem zijn overgebleven, zijn er drie: de Protreptikos, de Paidagogos en de Stromateis. Ook al lijkt het niet de bedoeling van de schrijver geweest te zijn, toch is het een feit dat deze geschriften een echte trilogie vormen, bedoeld om daadwerkelijk de geestelijke rijping te begeleiden van de christen. De Protreptikos is, zoals het woord zelf zegt, een “aansporing”, gericht aan degene die begint en de weg van het geloof zoekt. Beter gezegd, de Protreptikos valt samen met een Persoon: de Zoon van God, Jezus Christus, die voor de mensen degene wordt die “aanspoort”, opdat zij vastbesloten de weg naar de waarheid inslaan.

Dezelfde Jezus Christus maakt zich vervolgens tot Paidagogos, dat wil zeggen “opvoeder” van degenen die krachtens het Doopsel inmiddels kinderen van God zijn geworden. Tenslotte is diezelfde Jezus Christus ook Didaskolos, dat wil zeggen de “Leraar” die de diepere onderrichtingen geeft. Deze zijn verzameld in het derde werk van Clemens, de Stromateis, een Grieks woord dat letterlijk “tapisserie” betekent: het gaat inderdaad om een niet-systematische compositie van verschillende onderwerpen, als rechtstreekse vrucht van het gewone onderricht van Clemens. We gaan ervan uit dat de Protrepticus geschreven werd vóór de Paedagogus, en als laatste de Stromata. De Stromata worden doorgaans als Clemens’ laatste werk beschouwd, en niet voor 202-203 gedateerd of zelfs 208-211. De Protrepticus en de Paedagogus kunnen gedateerd worden 189-200.

In haar geheel begeleidt de clementijnse catechese stap voor stap de weg van de catechumeen en van de gedoopte, opdat zij met de twee “vleugels” van het geloof en de rede tot een innerlijke kennis geraken van de Waarheid, die Jezus Christus is, het Woord van God. Alleen deze kennis van de persoon die de waarheid is, is de ware “gnosis”, de Griekse uitdrukking die staat voor “kennis”, voor “inzicht”. Het is het gebouw dat door de rede onder de invloed van een bovennatuurlijk beginsel is gebouwd. Het geloof zelf bouwt de ware filosofie, dat is: de ware bekering met betrekking tot de weg die men in het leven moet nemen. De authentieke “gnosis” is dus een ontwikkeling van het geloof, door Jezus Christus gewekt in de ziel die met Hem verenigd is.

Vervolgens onderscheidt Clemens twee trappen van christelijk leven. De eerste trap: als gelovige christenen die het geloof beleven op een algemene wijze, maar toch open staan naar de horizon van de heiligheid. En vervolgens de tweede trap: als “gnostici”, dat wil zeggen degenen die al een leven van geestelijke volmaaktheid leiden. In ieder geval moet de christen uitgaan van de gemeenschappelijke basis van het geloof; hij moet zich door Christus laten leiden langs een weg van zoeken en zo tot de kennis geraken van de Waarheid en van de waarheden die de inhoud vormen van het geloof. Dergelijke kennis, leert ons Clemens, wordt in de ziel een levende werkelijkheid: zij is niet alleen theorie, zij is een levenskracht, een vereniging van liefde die de persoon transformeert. De kennis van Christus is niet enkel een gedachte, maar is liefde die de ogen opent, de mens omvormt en gemeenschap schept met de Logos, met het goddelijk Woord dat waarheid en leven is. In deze gemeenschap, die de volmaakte kennis is en die liefde is, bereikt de volmaakte christen de contemplatie, de eenwording met God.

Tenslotte herneemt Clemens de leer volgens welke het uiteindelijke doel van de mens bestaat in het gelijk worden aan God. Wij zijn geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God, maar dit vormt ook een uitdaging, een weg; het doel van het leven, de uiteindelijke bestemming is immers daadwerkelijk aan God gelijk worden. Dat is mogelijk dankzij de verwantschap met Hem, die de mens heeft ontvangen op het moment van zijn schepping, waardoor hij al uit zichzelf beeld van God is. Die verwantschap maakt het mogelijk de goddelijke werkelijkheden te kennen - die de mens bovenal door het geloof aanhangt evenals door de beoefening van de deugden door middel van het beleefde geloof - en zij kan uitgroeien tot de beschouwing van God. Wat de weg van de volmaaktheid aangaat, kent Clemens dus evenveel belang toe aan wat er in moreel opzicht voor is vereist, als aan wat er intellectueel voor vereist is. De twee gaan samen, want men kan niet kennen zonder te beleven en niet beleven zonder te kennen. De gelijkwording aan God en de beschouwing van Hem kunnen niet alleen door de rationele kennis worden bereikt: tot dit doel is het noodzakelijk te leven volgens de Logos, te leven volgens de waarheid. Bijgevolg moeten de goede werken de intellectuele kennis vergezellen, zoals de schaduw het lichaam volgt.

Op deze wijze onderneemt de Alexandrijn de tweede poging tot dialoog tussen de christelijke verkondiging en de Griekse filosofie. Wij weten dat de heilige Paulus in Athene, waar Clemens geboren is, op de Areopagus de eerste poging heeft gedaan tot een dialoog met de Griekse filosofie - en daarin grotendeels is mislukt -, maar dat zij hem gezegd hadden: “Daarover zullen wij u bij gelegenheid nog wel eens horen”. Nu herneemt Clemens deze dialoog, en brengt hem in de Griekse filosofische traditie op het hoogste niveau.

Zoals Johannes Paulus II in de Encycliek Fides et Ratio heeft geschreven, komt de Alexandrijn ertoe de filosofie te duiden als “een voorbereidend onderricht voor het christelijk geloof” [4]. Inderdaad is Clemens zo ver gegaan dat hij het standpunt innam dat God aan de Grieken de filosofie gegeven heeft als “hun eigen Verbond”.[5] Voor hem is de Grieks filosofische traditie een terrein van “openbaring”, als het ware zoals de Wet dat is voor de Joden. Het zijn twee stromen die uiteindelijk uitmonden in de Logos zelf. Zo blijft Clemens weloverwogen de weg wijzen aan wie “rekenschap wil afleggen” van het eigen geloof in Jezus Christus.

Bibliografie

  • Benedictus XVI, Algemene audiëntie, 18-4-2007;
  • Ante-Nicene Fathers, Vol. 2, Ed. A. Roberts, J. Donaldson, A. Cleveland Coxe, Buffalo, NY: Christian Literature Publishing Co., 1885;
  • Ramos-Lisson, Domingo, Patrología, Eunsa: Pamplona 2005, blz. 155-163 (§ Alejandría y su escuela Teológica; § Clemente de Alejandría);
  • Steidle, Basilius OSB, De kerkvaders; een inleiding tot hun leven en werk, Paul Brand: Bussum 1954, blz. 71-76 , (§ De alexandrijnse kerkvaders; § Clemens van Alexandrië);
  • Quasten Johannes, Patrología, vol. I, BAC, Madrid 1961, blz. 309-338 (§ Clemente de Alejandría);
  • Tixeront J., A Handbook of Patrology (vert. S.A. Raemers), St. Louis: Herder Book 1920, blz. 84-89.


[1] De basis voor deze tekst vormt de catechese van Benedictus XVI op 18 april 2007; de tekst is ingekort en aangevuld.
[2] Esoterische gnosis betreft de kennis van de verlossing die alleen door ingewijden wordt gedeeld.
[3] Stromateis IV, 21,130
[4] Johannes Paulus II, Encycliek Fides et Ratio (14 sept 1998), 38.
[5] B. Steidle, De kerkvaders, blz. 74. Vergelijk: «And in general terms, we shall not err in alleging that all things necessary and profitable for life came to us from God, and that philosophy more especially was given to the Greeks, as a covenant peculiar to them— being, as it is, a stepping-stone to the philosophy which is according to Christ …», Stromateis, VI, 8, 67, 1. Ante-Nicene Fathers, Vol. 2.
 

Chronologie

 
top
Laatste update: