Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Martyrologium > Ignatius van Antiochië - 17 oktober

Ignatius van Antiochië - 17 oktober

Ignatius van Antiochië

Als opvolger van de apostel Petrus stond Ignatius aan het hoofd van de kerk van Antiochië. Ter dood veroordeeld, werd hij naar Rome gevoerd om voor de wilde dieren geworpen te worden. Zo werd zijn getuigenis voor Christus onde keizer Trajanus in het jaar 107 met de marteldood bekroond. Tijdens zijn overtocht naar Rome schreef hij zeven brieven, gericht aan verschillende kerken. Daarin komen zijn wijsheid en kennis tot uitdrukking als hij uitwijdt over de persoon van Christus, de hiërarchie van de Kerk en het christelijk levenspatroon. Reeds in de vierde eeuw werd hij te Antiochië op 17 oktober herdacht.

Brief aan de Romeinen

Uit de brief van de heilige martelaar Ignatius, bisschop van Antiochië († 107), aan de Romeinen (Hoofdstuk 4, 1-2; 6,1 - 8,3 : Funk 1, 217-223)

Ik ben de tarwe van God: ik word gemalen door de tanden van de wilde dieren.

Ik schrijf aan alle kerken en druk allen op het hart dat ik graag sterf voor God, als gij het mij maar niet verhindert. Ik smeek u: laat uw welwillendheid mij niet ongelegen komen. Laat mij toch voedsel zijn voor de wilde dieren. Daardoor kan ik tot God komen. Ik ben de tarwe van God en door de tanden van de wilde dieren word ik gemalen om zuiver brood van Christus te worden. Smeekt Christus voor mij, dat ik door deze werktuigen mag worden tot een offergave voor God.

De vreugde van de wereld en alle koninkrijken van deze aarde kunnen mij niet helpen. Voor mij is het beter te sterven voor Jezus Christus dan te heersen over de uiteinden der aarde. Hem zoek ik die voor ons gestorven is, naar Hem verlang ik die voor ons is opgestaan. Mijn geboorte is nabij. Vergeeft mij, broeders en zusters. Belet mij niet te leven, laat niet toe dat ik sterf. Levert mij niet uit aan deze wereld, want ik wil van God zijn. Verleidt mij niet met dit aardse bestaan, maar laat mij het heldere licht ontvangen: eenmaal daar gekomen, zal ik pas ten volle mens zijn. Laat mij het lijden van mijn God navolgen. Ieder die Hem in zich draagt, zal weten wat ik verlang; hij zal met mij medelijden en begrijpen wat mij kwelt.

De vorst van deze wereld wil mij meevoeren en mijn verlangens die op God gericht zijn, misleiden. Laat dan toch niemand van u die aanwezig zijt, hem helpen; wilt liever mijn helper worden, dat wil zeggen: van God. Wilt toch niet Jezus Christus in de mond nemen, terwijl gij de wereld in uw hart draagt. Laat er geen nijd onder u wonen. Zelfs wanneer ik u persoonlijk erom zou vragen, gelooft mij dan niet: schenkt veeleer geloof aan datgene wat ik u schrijf Immers, ik schrijf u, terwijl ik nog leef met het verlangen te sterven. Mijn liefde is gekruisigd en in mij brandt geen vuur dat naar het aardse verlangt. Levend en sprekend water is in mij, dat in mijn binnenste zegt: ‘Kom tot de Vader.’ Ik vind geen genoegen meer in het voedsel dat vergankelijk is, noch in de vreugden van dit bestaan. Het brood van God verlang ik, dat is het vlees van Jezus Christus, uit het geslacht van David, en als drank wens ik het bloed van Hem, die de onvergankelijke liefde is.


Ignatius van Antiochië: presentatie, brieven, enkele bijzonderheden uit deze brieven

Ignatius, ook Theophorus genaamd, is de derde bisschop van Antiochië (in huidig Turkije), van het jaar 70 tot 107. Petrus is de eerste bisschop van deze stad geweest, zo meldt de Traditie. In deze stad werden de volgelingen van Jezus voor het eerst christenen genoemd (Hnd 11,26). Van Ignatius’ leven voorafgaande aan het schrijven van deze zeven brieven, is niets met zekerheid bekend. Zijn brieven schreef Ignatius onderweg naar Rome na zijn veroordeling om voor de de wilde dieren geworpen te worden. In deze brieven spoort hij de gemeenschappen aan tot trouw jegens het apostolische geloof, en behoedzaamheid jegens de ketterijen die reeds de kop opsteken.

De eerste etappeplaats van de reis van Ignatius naar het martelaarschap was de stad Smyrna, waar de heilige Polycarpus bisschop was, een leerling van Johannes. Hier schreef Ignatius vier brieven, respectievelijk aan de Kerken van Efeze, Magnesia, Tralli en Rome. “Nadat hij uit Smyrna vertrokken was”, vervolgt Eusebius van Caesarea in zijn Historia ecclesiastica, “kwam Ignatius te Troas, en van daaruit verzond hij nieuwe brieven”: twee aan de Kerken van Philadelphia en Smyrna, en een aan Bisschop Polycarpus. Zo maakt Eusebius de lijst compleet van de brieven die ons vanuit de Kerk van de eerste eeuw als een kostbare schat bereikt hebben. Bij het lezen van deze teksten ervaart men de frisheid van het geloof van de generatie die nog de Apostelen gekend heeft. In deze brieven wordt men ook de vurige liefde van een heilige gewaar. Vanuit Troas tenslotte bereikte hij Rome, waar hij in het amphitheater Flavius aan de wilde beesten werd gevoerd (Benedictus XVI, Algemene audiëntie, 4 maart 2007).

Dit martelaarschap dank zij de wilde dieren, maakt Ignatius’ vereniging met Christus mogelijk. Laten we hier Ignatius’ woorden in herinnering brengen die zo zeer tot de verbeelding hebben gesproken: “(...) laat mij toch het voedsel worden der wilde dieren, waardoor ik tot God moet geraken. Ik ben de tarwe van God en door de tanden der wilde dieren word ik vermalen om als zuiver brood van Christus te worden bevonden” (Ignatius van Antiochië, Brief aan de Romeinen, 6, 3 [Dr. D. Franses OFM, De Apostolische Vaders, Paul Brand: Hilversum, 1941, blz. 122]).

Vurig verlangt Ignatius verenigd te zijn met Christus. In zijn brieven aan de Smyrnaeërs en Tralliërs spreekt hij daar herhaaldelijk over. Het is een christologisch realisme dat vaak gevonden wordt in Antiochië; men legt de nadruk op de ware menswording van Christus. In feite komen in Ignatius twee geestelijke “stromingen” samen: die van Paulus, geheel gericht op de vereniging met Christus, en die van Johannes, geconcentreerd op het leven in Hem. Op hun beurt lopen deze beide stromingen uit in de navolging van Christus, door Ignatius meermaals verkondigd als “mijn” of “onze” God.

In deze uitdrukkingen die branden van liefde klinkt overduidelijk het opvallend “christologisch” realisme dat zo typisch is voor de Kerk van Antiochië, en dat een bijzondere aandacht heeft voor de incarnatie, de vleeswording van de Zoon van God en voor zijn ware en concrete mensheid: “Jezus Christus”, schrijft Ignatius aan de Smyrnaeërs, “is werkelijk uit het geslacht van David”, “is werkelijk uit een maagd geboren”, werd “werkelijk voor ons aan het kruis genageld” (Ignatius van Antiochië, Brief aan de Smyrnaeërs, 1,1 [Franses, blz. 131]).

Zo smeekt Ignatius de christenen van Rome zijn martelaarschap niet te verhinderen, omdat hij er vurig naar verlangt “zich met Jezus Christus te verenigen”. En hij legt uit: “Het is voor mij veel mooier te sterven en zo naar Jezus Christus te gaan, dan te heersen tot aan de uiteinden der aarde. Ik zoek Hem die voor mij gestorven is, ik wil Hem die voor ons verrezen is... Sta mij toe navolger te zijn van het Lijden van mijn God!” (Ignatius van Antiochië, Brief aan de Romeinen, 6, 3 [Franses, blz. 123]).

Deze vereniging met Christus bepaalt tevens zijn visie op de Kerk. In zijn brieven aan de Ephesiërs en de Magnesiërs wijst hij er op dat de eenheid in de Kerk een afspiegeling is van de eenheid tussen de drie goddelijke Personen. Deze eenheid moet doorwerken onder bisschoppen, priesters, diakens en gelovigen. Ignatius werkt een visie op de Kerk uit die heel dicht komt bij enkele uitdrukkingen uit de Brief aan de Korintiërs van Clemens van Rome. “Het is goed voor u”, schrijft Ignatius bijvoorbeeld aan de christenen van Efeze, “samen te werken in overeenstemming met het gevoelen van de bisschop, iets wat u al doet. Inderdaad is uw college van presbyters, terecht van goede faam en God waardig, zó in harmonie verenigd met de bisschop als de snaren met de citer. Hierdoor wordt in uw eensgezindheid en in uw symfonische liefde Jezus Christus bezongen. En zo wordt u de een na de ander samen tot een koor, opdat u in de symfonie van uw eensgezindheid, na de toonhoogte genomen te hebben van God in de eenheid, met één stem zingt” (Ignatius van Antiochië, Brief aan de Ephesiërs, 4, 1-2 [Franses, blz. 101]).

En na de Smyrnaeërs op het hart gedrukt te hebben dat zij “met betrekking tot de Kerk niets zullen ondernemen zonder de bisschop”, vertrouwt hij Polycarpus toe: “Ik geef mijn leven voor hen die onder de bisschop, de presbyters en de diakens zijn gesteld. Moge ik met hen deel kunnen hebben aan God! Werkt met elkaar samen, strijdt samen, loopt samen de wedloop, lijdt samen, slaapt en waakt samen als bestuurders van God, zijn plaatsbekleders en dienaren. Zoekt Hem te behagen voor wie gij strijdt en van wie gij uw loon ontvangt. Laat niemand van u deserteur bevonden worden. Uw doopsel blijve als een schild, uw geloof als een helm, uw liefde als een lans, uw geduld als een harnas” (Ignatius van Antiochië, Brief aan Polycarpus, 6, 1-2 [Franses, blz. 139]).

Aangaande de eenheid, deze  komt op een heel bijzondere manier naar voren in de brieven van Ignatius. De eenheid die een afspiegeling is van God, drie Personen in één eenheid. Ze komt naar voren als “mystiek van eenheid”, Ignatius’ verlangen voor zichzelf en alle christenen om met Christus verenigd te zijn. En daardoor in Christus een eenheid onder alle christenen te bewerkstelligen die een navolging is van het trinitair archetype.

Duidelijk komt de eigen verantwoordelijkheid van de bisschoppen, de presbyters en de diakens naar voren in de opbouw van de gemeenschap. Vooral hen geldt de uitnodiging tot liefde en eenheid: “Weest één en hetzelfde”, schrijft Ignatius aan de Magnesiërs, waarbij hij het gebed van Jezus bij het Laatste Avondmaal herneemt: “één enige smeking, één enige geest, één enige hoop in de liefde... Snelt allen toe op Jezus Christus als naar de ene tempel van God, als naar het ene altaar: Hij is één en, voortkomend van de ene Vader, is Hij met Hem verenigd gebleven en naar Hem in de eenheid teruggekeerd” (Ignatius van Antiochië, Brief aan de Magnesiërs, 7, 1-2 [Franses, blz. 111]).

Als eerste in de christelijke literatuur kent Ignatius aan de Kerk het bijvoeglijk naamwoord “katholiek” toe, dat wil zeggen “universeel”: “Waar Jezus Christus is”, zegt hij, “daar is de katholieke Kerk” (Ignatius van Antiochië, Brief aan de Christenen van Smyrna, 8, 2 [Franses, blz. 134]), en juist in de dienst aan de eenheid van de katholieke Kerk oefent de christelijke gemeenschap van Rome zoiets als een primaat in de liefde uit: “In Rome zit zij voor, Godwaardig, eerbiedwaardig, waardig om gelukzalig genoemd te worden... Zij zit voor in de liefde, die de wet van Christus heeft en de naam van de Vader draagt” (Ignatius van Antiochië, Brief aan de Romeinen, Proloog [Franses, blz. 120]).

Zoals men ziet, zegt Benedictus XVI, is Ignatius echt de “leraar van de eenheid”: van de eenheid van God en de eenheid van Christus - de diverse ketterijen, die begonnen te circuleren en die in Christus de mens en God verdeelden, ten spijt; van de eenheid van de Kerk, de eenheid van de gelovigen “in het geloof en in de liefde, waarboven niets gaat” (Idem, Brief aan de Smyrnaeërs, 6,1 [Franses, blz. 133]).

 

Bibliografie:

  • Benedictus XVI, Algemene audiëntie, 14 maart 2007;
  • Dr. D. Franses OFM, De Apostolische Vaders, Paul Brand: Hilversum 1941, 96-99 (§ Inleiding); 100-108 (§ De brief aan de Ephesiërs), 109-114 (§ De brief aan de Magnesiërs), 115-119 (§ De brief aan de Tralliërs), 120-125 (§ De brief aan de Romeinen), 126-130 (§ De brief aan de Philadelphiërs), 131-136 (§ De brief aan de Smyraeërs), 137-141 (§ De brief aan Polycarpus);
  • J. Quasten, Patrología, vol. I, BAC: Madrid 1961, 71-82 (§ Ignacio de Antioquía) (orig.: Patrology, vol. I-III, Utrecht-Westminster (Maryland), 1950-1960);
  • D. Ramos-Lisson, Patrología, Eunsa: Pamplona 2005, 71-76 (§ San Ignacio de Antioquía);
  • B. Steidle OSB, De Kerkvaders, Paul Brand: Bussum 1946, 41-45 (§ Ignatius van Antiochië).

Chronologie

 
top
Laatste update: