Mailformulier   Sitemap  

Menu

In Hoc Signo Vinces!

Home > Martyrologium > Justinus - 1 juni

Justinus - 1 juni

Voor de martelaarsakten van Justinus en zijn gezellen, zie hier.

Justinus

God, Gij hebt de heilige Justinus doen begrijpen, dat de dwaasheid van het kruis tot de wijsheid voert van Christus Jezus. Wij vragen bij de gedachtenis van deze martelaar: geef ons de kracht om te weerstaan aan alles wat van U verwijdert, en de genade om trouw te zijn aan het geloof.

Uit het getijdengebed, 1 juni, gedachtenis van de H. Justinus

Justinus de martelaar

In de serie Kerkvaders komt hier Justinus de filosoof en martelaar aan bod. Het woord “apologeet” duidt die oud-christelijke schrijvers aan die zich voorgenomen hebben de nieuwe godsdienst te verdedigen tegen de zware beschuldigingen door de heidenen en de joden, en de christelijke leer te verspreiden in een bewoording die aan de cultuur van de tijd aangepast was. Zo hebben de apologeten dus een dubbele bekommernis: de meer in eigenlijke zin apologetische van de verdediging van het beginnende christendom, en een bekommernis met betrekking tot het voorstellen ervan, een “missionaire” bekommernis om de inhoud van het geloof uit te leggen in een taal en met gedachtecategorieën die voor de tijdgenoten verstaanbaar waren. En dat niet als mogelijkheid, maar als plicht. In woorden van Justinus zelf: “Een ieder die de waarheid kan verkondigen en ze niet verkondigt, zal Gods oordeel ondergaan.” Zoals Paulus, voelde hij zich verplicht jegens allen, Jood en heiden, hen de weg naar het heil te tonen. En net zoals Aristides, Athenagoras, Tertullianus, Heraclas, Gregorius Thaumaturgus, behield hij daarbij zijn filosofen-toga (τρίβων, τριβώνιον, pallium) om de hoogste gedachten zo te kunnen blijven aandragen.

Bekering

Flavius Justinus werd rond het jaar 100 geboren in Flavia Neapolis (het oude Sichem, tegenwoordig Nablus) in Samaria, Palestina; lang heeft hij naar de waarheid gezocht in diverse scholen van de Griekse filosofie. Totdat -zo vertelt hij zelf in de eerste hoofdstukken van zijn Dialoog met de Jood Trypho- een mysterieuze persoon, een oude man die hij langs het strand van de zee ontmoette, hem eerst in een crisis bracht doordat hij hem het onvermogen van de mens bewees om op eigen kracht te kunnen voldoen aan het verlangen naar het goddelijke, en hem daarna in de oude profeten de personen aanwees tot wie hij zich moest wenden om de weg van God te vinden en de “ware filosofie”. Bij het afscheid, spoorde de bejaarde man hem aan tot het gebed, opdat de deuren naar het licht open zouden gaan. “Jij moet vooral bidden dat de deuren van het licht voor je worden geopend, want niemand kan zien en begrijpen, als God en zijn Christus het hem niet mogelijk maken om te verstaan” (Dialogus cum Tryphone Judaeo, 7, 3).

Achter het verhaal gaat de cruciale periode uit het leven van Justinus schuil: aan het einde van een lange filosofische zoektocht naar de waarheid, belandt hij bij het christelijk geloof. Hij stichtte een school te Rome waar hij de leerlingen (waaronder Tatianus) om niet inleidde in de nieuwe godsdienst, beschouwd als de ware filosofie. In haar had hij immers de waarheid gevonden en daarmee ook de “kunst” van op de juiste wijze te leven. Hij werd hierom door zijn opponent, de cynisch filosoof Crescens uit afgunst aangeklaagd bij de prefect Junius Rusticus, en werd rond 165 onthoofd, tijdens de regering van Marcus Aurelius (161-180), de keizer en filosoof, tot wie Justinus zelf de eerste van zijn Apologieën had gericht.

Theologie van de geschiedenis

Deze -de twee Apologieën tegen de heidenen (de eerste van 144-155, de tweede iets later) en de Dialoog met de Jood Trypho (van rond 160) een apologie jegens het Joodse volk- zijn de enige zekere werken die ons van hem overgeleverd zijn. Daarin beoogt Justinus vooral het goddelijk plan van de schepping en van het heil dat zich in Jezus Christus voltrekt, die de Logos is, dat wil zeggen het eeuwig Woord, de eeuwige Rede, de scheppende Rede. Als redelijk schepsel heeft elke mens deel aan de Logos, draagt er in zichzelf een “zaadje” van, waardoor hij de schemering van de waarheid kan waarnemen. Zo heeft de Logos zelf, die zich als profetische gestalte aan de Joden heeft geopenbaard in de oude Wet, zich deels ook als “zaden van waarheid” (lógos spermatikós) geopenbaard in de Griekse filosofie. Welnu, zo concludeert Justinus, omdat het christendom de historische en persoonlijke openbaring is van de hele Logos, volgt daaruit dat “al wat er aan moois tot uitdrukking is gebracht door wie dan ook, tot ons, christenen, behoort” (I Apologia, 13, 4).

Op deze wijze oriënteert Justinus, hoezeer hij ook in de Griekse filosofie haar contradicties bestrijdt, heel resoluut elke filosofische waarheid op de Logos, en motiveert zo vanuit het oogpunt van de rede de “pretentie” van waarheid en van universaliteit van de christelijke godsdienst. Als het Oude Testament op Christus gericht staat, zoals de afbeelding naar de betekende werkelijkheid verwijst, zo is de Griekse filosofie ook zelf gericht op Christus en het Evangelie, zoals het deel ernaar streeft zich te verenigen met het geheel; en hij zegt dat deze twee werkelijkheden, het Oude Testament en de Griekse filosofie, als twee wegen zijn die naar Christus leiden, naar de Logos.

Christologische exegese van het Oude Testament

Beschouwen we het geheel, dan valt op hoe vaak Justinus een beroep doet op het Oude Testament omdat ze een reeks van profetische aankondigingen bevat die hun vervulling vinden in Christus. Hij bedient zich ervan voor een allegorische exegese waarmee hij de platonische traditie verbindt met de rabbijnse. Maar hij bedient zich zonder onderscheid niet alleen van canonieke boeken, maar ook van apocriefe geschriften. De zogenaamde «Apocriefe Handelingen van de Apostelen» verschaffen hem historisch bewijs omtrent de waarheid van de profetieën. Dat zien we wanneer hij de geboorte van de Heer beschrijft in een grot (Dial., 78, 3), beschrijving die overeenkomt met het Protoevangelie van Jacobus. In andere gevallen benoemt Justinus wel zijn apocriefe bronnen, zoals in I Apol., 48, 3 met de Acten van Pilatus.

Voor Justinus bezit het christelijk geloof als enige de pretentie van waarheid en universaliteit. Dat is de reden waarom de Griekse filosofie zich niet tegen de evangelische waarheid kan verzetten, en de christenen er met vertrouwen uit kunnen putten als uit iets goeds dat van hun zelf is. Daarom omschreef paus Johannes Paulus II Justinus als “pionier van een positieve ontmoeting met het filosofische denken, ook al was het in het teken van een voorzichtige onderscheiding”. Want Justinus, “al behield hij ook na zijn bekering grote achting voor de Griekse filosofie, stelde toch met kracht en in alle duidelijkheid in het christendom ‘de enige zekere en nuttige filosofie’ (Justinus, Dialogus cum Tryphone Judaeo. 8, 1) te hebben gevonden” (Johannes Paulus II, Encycliek Fides et Ratio (14 sept. 1998), 38).

Verhouding geloof en rede

Over het geheel genomen markeren de figuur en het werk van Justinus de vastbesloten keuze van de oude Kerk voor de filosofie, voor de rede, eerder dan voor de godsdienst van de heidenen. Wat de heidense godsdienst aangaat, daarmee weigerden de christenen vastberaden elke vorm van compromis. Zij hielden haar voor afgodendienst, al kostte hen dat de beschuldiging van “goddeloosheid” en van “atheïsme”. Justinus in het bijzonder, vooral in zijn eerste Apologie, oefende een onverbiddelijke kritiek uit op de heidense godsdienst en haar mythen, die door hem beschouwd werden als duivelse ontsporingen op de weg van de waarheid. De filosofie vormde daarentegen het bevoorrechte gebied van de ontmoeting tussen heidendom, jodendom en christendom, juist op het vlak van de kritiek op de heidense godsdienst en op haar valse mythen. “Onze filosofie...”: zo, op de meest expliciete wijze, definieerde bisschop Melito van Sardes, een andere apologeet en tijdgenoot van Justinus, de nieuwe godsdienst (Eusebius van Ceasarea, Historia Ecclesiastica, 4, 26, 7).

Inderdaad bewandelde de heidense religie niet de wegen van de Logos, maar hield koppig vast aan die van de mythe, ook al had de Griekse filosofie hiervan onderkend dat zij ontbloot was van enige consistentie in de waarheid. Daarom was de ondergang van de heidense godsdienst onvermijdelijk: dat vloeide als een logische consequentie voort uit het feit dat de religie -teruggebracht tot een kunstmatig geheel van ceremonies, gebruiken en gewoonten- zich had losgemaakt van de waarheid van het zijn. Justinus, en met hem de andere apologeten, onderschreven de duidelijke keuze van het christelijk geloof vóór de God van de filosofen en tegen de valse goden van de heidense religie. Het was de keuze voor de waarheid van het bestaan tegen de mythe van de gewoonte. Enkele decennia na Justinus, definieerde Tertullianus dezelfde keuze van de christenen met een lapidaire uitspraak die nog altijd geldig is: “Dominus noster Christus veritatem se, non consuetudinem, cognominavit - Christus heeft zichzelf de waarheid, niet de gewoonte/het gebruik genoemd” (Tertullianus, De Virginibus Velandis, 1, 1). In dit verband zij opgemerkt dat de term “gewoonte”, die hier door Tertullianus gebruikt wordt met betrekking tot de heidense religie, in moderne talen vertaald kan worden met “culturele mode”, “mode van de tijd”.

 

Bibliografie

  • Benedictus XVI, Algemene audiëntie, 21 maart 2007;
  • D. Ramos-Lisson, Patrología, Eunsa, Pamplona 2005, 109-114 (§ San Justino);
  • J. Quasten, Patrología, vol. I, BAC, Madrid 1961, 190-211 (§ San Justino) (orig.:Patrology, vol. I-III, Utrecht-Westminster (Maryland), 1950-1960)

Chronologie

 
top
Laatste update: